Hoofdstuk 8 – Waarneming en gedrag
§8.1 – ZINTUIGEN
Zintuigelijke waarneming: Zintuigen nemen prikkels waar via receptoren, die impulsen naar de hersenen
sturen. De thalamus filtert de impulsen, waarna ze in speciale hersencentra worden verwerkt, waardoor je je
bewust wordt van de waarneming. Vervolgens kunnen de impulsen reacties aansturen (spieren/klieren) of in
het geheugen worden opgeslagen.
• Zintuigen ontvangen: externe prikkels (zoals licht en geluid)
• En interne prikkels (zoals bloedosmose en lichaamstemperatuur).
Receptoren registreren deze prikkels en sturen signalen naar het lichaam
om homeostase te behouden. Deze handhaven het dynamisch evenwicht.
Dit wordt gedaan door receptoren:
• Osmosereceptoren: nemen de osmotische waarde van het bloedplasma waar en
beïnvloeden de urineproductie.
• Temperatuurreceptoren: registreren veranderingen in de lichaamstemperatuur en beïnvloeden
zweetproductie en doorbloeding van de huid.
Verschillende soorten receptoren(= gespecialiseerde zenuwcellen of uitlopers van zenuwcellen):
• CHEMISCHE RECEPTOREN: kunnen moleculen uit de omgeving binden.
○ Bijvoorbeeld: smaak- en geurreceptoren. Smaakreceptoren kunnen opgeloste moleculen binden en
reukreceptoren kunnen moleculen uit de lucht binden.
• MECHANISCHE RECEPTOREN : geven een impuls af als hun celmembraan buigt of uitrekt.
○ Bijvoorbeeld: gehoor- en evenwichts zintuigreceptoren: vloeistof waarin haartjes zitten beweegt ->
haartjes buigen -> celmembraan vervormt -> ontstaat impuls.
Spier- en peesspoeltjes: reageren op verandering in spierspanning.
Tastreceptoren en drukreceptoren: impuls als celmembraan wordt vervormd door lichte
aanraking of druk. Tastreceptoren= meer aan oppervlak. Drukreceptoren= dieper in de huid.
• TEMPERATUUR RECEPTOREN : komt impuls als temperatuur in zo’n receptor onder/boven een
bepaalde normwaarde zit.
• LICHT RECEPTOREN (FOTORECEPTOREN) : ontstaat impuls door zichtbaar licht.
• PIJN RECEPTOREN: uiteinden van bepaalde zenuwen. Ontstaat impuls door extreme druk, extreme
temperaturen of chemische stoffen die vrijkomen bij beschadiging of ontsteking van weefsel.
In receptoren ontstaan impulsen als zij een prikkel ontvangen die sterker
is dan de drempelwaarde.
• Elke type receptor heeft voor elke type prikkel zo’n waarde.
• Licht is adequate prikkel= waarvoor de prikkeldrempel van het zintuig het laagst is.
Voor andere prikkels van lichtreceptoren is de drempel veel hoger.
• Hoe sterker de prikkel, hoe hoger de impulsfrequentie.
○ Als prikkel lang aanhoudt -> prikkeldrempel hoger -> impulsfrequentie neemt af.
○ Aanpassen van prikkelsterkte: adaptatie en gewenning.
○ Doel: voorkomen dat het centrale zenuwstelsel overbelast raakt met niet nuttige informatie.
○ Voorbeelden: ○ Verhogen: je voelt je kleding niet tegen je huid. ○ Verlagen: eerst zie je niks in het
donker, langzaam wennen de lichtreceptoren en zorgt dat je zenuwstelsel toch informatie krijgt.
, Onderdeel Functie / Uitleg
Wenkbrauwen Houden zweet en stof tegen.
Traanklieren Maken traanvocht dat het oog vochtig houdt en schoonspoelt.
Traanbuis Voert traanvocht af naar de neusholte.
Oogspieren Bewegen het oog in verschillende richtingen.
Hard oogvlies Stevige, witte buitenlaag die het oog beschermt.
Hoornvlies Doorzichtig deel aan de voorkant; laat licht binnen.
Vaatvlies Bevat bloedvaten: zorgt voor voeding en zuurstof.
Iris (regenboogvlies) Gekleurde deel van het oog. Bepaald door pigment. Regelt met de pupil
hoeveel licht binnenkomt.
Pupil Opening in de iris: wordt groter of kleiner afhankelijk van het licht.
Ooglens Breekt lichtstralen en stelt scherp door van vorm te veranderen.
Straalvormig lichaam Verandert de vorm van de lens om scherp te zien.
Voorste en achterste Gevuld met vocht; houden de vorm van het oog in stand.
oogkamer
Netvlies Binnenste laag met lichtreceptoren die licht omzetten in impulsen.
Op zijn plaats gehouden door het glasachtig lichaam.
Gele vlek Plek op het netvlies waar je het scherpst ziet.
Blinde vlek Plek waar de oogzenuw het oog verlaat; geen lichtreceptoren.
Glasachtig lichaam Geleiachtige massa die het oog opvult en het netvlies op zijn plaats houdt.
Oogzenuw Voert signalen van het netvlies naar de hersenen.
Hersenen Verwerken de signalen tot één compleet en scherp beeld.