veroorzaakt.
- Spierrelaxatie
- Geheugenverlies
- Analgesie (geen pijngevoel)
Sedatie = verminderd bewustzijn of versuffing.
Lokale anesthesie:
- Oppervlakteanesthesie op oppervlak
- Infiltratieanesthesie injecties lokaal. Zenuwuiteinden worden verdoofd. Vaatvernauwing
door adrenaline > minder snel afbraak. Pas op met IV.
- Geleidingsanesthesie gebied ongevoelig maken.
ASA – Klassificatie Anesthesie Risico (667):
1. Gezond
2. Minde systemische ziekte
3. Ernstige systemische ziekte
4. Ernstige levensbedreigende systemische ziekte
5. Een stervende patiënt
Opbouw Anesthesie
Premedicatie d.m.v. een sedativum (minder bewustzijn, -angst, -stress en rustiger) en een pijnstiller.
Analgesie voorkomen van pijn is beter dan bestrijden, werkt via CA. Dosering onderhoud
anesthesie laag houden. Herstel bevorderen door minimaal gebruik anesthesie en pijnstiller. IV werkt
binnen 1 minuut, is niet prettig voor eigenaar. Spoed OK hond intuberen, spoed OK kat xylazine.
Voorbeelden premedicatie:
- Me(detomedine)
- Xylazine
- Diazepam
- Zolazepam
- Midazolam
- Acepreomazine
- Butorfanol
- Buprenorfine
- Methadon
- Atropine
Inductie. IM/IV. Doseren op effect. Minimaal middelen gebruik recoverytijd korter.
Voorbeelden inductie middelen:
- Thiopental
- Pentobarbital
- Alfaxalone
- Propofol
- Isofluraan
- Ketamine
- Tiletamine
, Onderhoud Gas of injectie. Instellen gas of IV pomp zo dat anesthesiediepte gelijk blijft. Effect
lichaam: hersenen, cardiovasculair, respiratoir, lever, nieren.
Voorbereiden bij aanname patiënt:
- Informeer eigenaar
- Anamnese
- Pre-anesthetisch onderzoek (CZS-cardiovasculair (p/hart/slvl crt/beweging/dyspnoe e.o.) -
respiratoir (A/longen).
- Aanvullend onderzoek
- Testikels
- Geslacht
- Aanvullende voorbereidingen (vasten/water/wegen/i.v. katheter plaatsen/uitlaten e.d.)
Belangrijke aandachtspunten: wegen (meten = weten), wanneer dien je toe, noteren, rustige
omgeven.
Aanvullende analgetische medicijnen of via infuus of kortdurend werkende opiaat Opioïde
analgetica zijn sterke pijnstillers. Ze werken op speciale receptoren in de hersenen en het ruggenmerg
(opioïdereceptoren) pijnprikkels worden minder doorgegeven, dier ervaart minder pijn, kalmerend
effect. Veel gebruikt bij matige tot ernstige pijn.
- Zwakke = tramadol
- Sterk = Morphine en Fentanyl
- Kortwerkend = Fentanyl
- Langwerkend = Buprenorfine
- Volledige agonisten = Morfine
- Partiële agonisten = Buprenorfine
- Bijwerkingen verschillen per middel:
o Ademhalingsdepressie
o Sufheid/sedatie
o Misselijkheid of braken
o Obstipatie
o Onrust of juist sterke sedatie
Uitleiding
Pijn = prikkeling van de zenuwen (druk/temp/chemische stof) via ruggenmerg signaal naar
hersenen.
- Acute pijn
- Scherpe pijn
- Chronische pijn
- Doffe pijn
Hoe herken je pijn: Hartslag, ademhaling, wisselende bloeddruk, grote pupillen, haren, zweten/temp,
spiertonus, gespannen buik.
Gevolgen: Pijn shock, verzwakking immuunsysteem, infectie, langzamere wondgenezing,
complicaties, angst voor DA.
Middelen:
- Analgetica
- Centraal werkende analgetica opiaten (morfine). Hevige pijn en intraoperatief. Werkt
direct op CZ en remt pijn gewaarwording.
- NSAID metacam, aspirine/ibuprofen. Matige pijn of postoperatief. Werkt lokaal in het
lichaam.