Oefentoets financiering 2
Opgave 1 Meerkeuzevragen ( 4 vragen x 2 punten = 8 punten)
1. Johan Hendriks heeft een vervoersbedrijf. Hij heeft onlangs een nieuwe vrachtwagen
aangeschaft. Het afgelopen jaar vond de bank het resultaat van de onderneming wat mager,
zodat ze maar met moeite met een lening over de brug kwamen. Johan vraagt zich nu af hoe
hij de winst positief kan beïnvloeden.
A. Door een hoge restwaarde en een korte afschrijvingstermijn te schatten
B. Door een hoge restwaarde en een lange afschrijvingstermijn te schatten
C. Door een lage restwaarde en een korte afschrijvingstermijn te schatten
D. Door een lage restwaarde en een lange afschrijvingstermijn te schatten
2. Als de rentabiliteit van het eigen vermogen 20% is, dan betekent dit:
A. Elke euro eigen vermogen €0,20 oplevert
B. De liquiditeit slecht is
C. De solvabiliteit slecht is
D. Een spaarrekening meer geld oplevert
3. Wat is het verschil tussen de current ratio en de quick ratio?
A. De quick ratio is eenvoudiger en dus sneller te berekenen
B. De quick ratio laat de crediteuren buiten beschouwing
C. De quick ratio laat de voorraden buiten beschouwing
D. De quick ratio neemt alleen de hele korte schulden mee in de berekening
4. Wat wordt er verstaan onder de rentedekkingsfactor?
A. Het aantal maal dat de rente betaald zou kunnen worden uit de winst voor belasting
B. Het aantal maal dat de rente betaald zou kunnen worden uit het bedrijfsresultaat
C. Het verschil tussen de rentabiliteit van het eigen vermogen en de gemiddeld te betalen rente
D. Het verschil tussen de rentabiliteit van het totaal vermogen en de gemiddeld te betalen rente
Opgave 1 Meerkeuzevragen ( 4 vragen x 2 punten = 8 punten)
1. Johan Hendriks heeft een vervoersbedrijf. Hij heeft onlangs een nieuwe vrachtwagen
aangeschaft. Het afgelopen jaar vond de bank het resultaat van de onderneming wat mager,
zodat ze maar met moeite met een lening over de brug kwamen. Johan vraagt zich nu af hoe
hij de winst positief kan beïnvloeden.
A. Door een hoge restwaarde en een korte afschrijvingstermijn te schatten
B. Door een hoge restwaarde en een lange afschrijvingstermijn te schatten
C. Door een lage restwaarde en een korte afschrijvingstermijn te schatten
D. Door een lage restwaarde en een lange afschrijvingstermijn te schatten
2. Als de rentabiliteit van het eigen vermogen 20% is, dan betekent dit:
A. Elke euro eigen vermogen €0,20 oplevert
B. De liquiditeit slecht is
C. De solvabiliteit slecht is
D. Een spaarrekening meer geld oplevert
3. Wat is het verschil tussen de current ratio en de quick ratio?
A. De quick ratio is eenvoudiger en dus sneller te berekenen
B. De quick ratio laat de crediteuren buiten beschouwing
C. De quick ratio laat de voorraden buiten beschouwing
D. De quick ratio neemt alleen de hele korte schulden mee in de berekening
4. Wat wordt er verstaan onder de rentedekkingsfactor?
A. Het aantal maal dat de rente betaald zou kunnen worden uit de winst voor belasting
B. Het aantal maal dat de rente betaald zou kunnen worden uit het bedrijfsresultaat
C. Het verschil tussen de rentabiliteit van het eigen vermogen en de gemiddeld te betalen rente
D. Het verschil tussen de rentabiliteit van het totaal vermogen en de gemiddeld te betalen rente