WC 1
Wet op dierproeven
- Instanties: CCD, instantie voor Dierenwelzijn & DEC
- Proces: verstuur aanvraag naar IvD met juiste documenten (IvD heeft contact met
waar je de test gaat uitvoeren) wachten op goedkeuring IvD bij goedkeuring
verstuur aanvraag naar CCD beoordeling aanvraag door CCD & DEC samen
Je kunt het gaan uitvoeren NVWA blijft controleren
- Je moet als onderzoeker een certificaat hebben gehaald
Beoordeling aanvraag
- Doel: wetenschappelijk belang
- Vervanging: waarom geen andere methode mogelijk?
- Vermindering: schatting door poweranalyse (het verwachtte effect en hoe groot)
voor de optimale hoeveelheid
- Verfijning: methode die het beste is en zorgt voor het minste lijden voor het dier
- Specifieke diersoort: wat onderscheidt het van de anderen
- Humane eindpunten: pijn, verandering gedrag (weet wat normaal gedrag is),
richtlijnen voor pijn
Moederdieren zijn proefdieren als ze geen normale dracht ondergaan (bij andere foetus
maar normale dracht geen proefdier).
Embryologie en evolutie
Evolutie:
Vissen amfibieën reptielen vogels zoogdieren (mensen)
Embryologie:
Tussenstadia van ontwikkeling tot embryo lijken op elkaar, maar gaan niet van vis naar
amfibie zoals bij recapitulatie theorie. Bepaalde dingen als kieuwen kunnen aangroeien,
en verliezen vervolgens hun functie of veranderen.
Ontogenie: het proces van de individuele ontwikkeling van een organisme
Fylogenie: gaat over de evolutionaire geschiedenis van organismen, ontwikkeling soorten
Embryonale periode: niet compleet, vorming nieuwe weefsels
Foetale periode: alles is aanwezig, uitgroeiing, verder ontwikkelen organen
Nestblijvers en nestvlieders
Nestblijver: ogen dicht, kaal, afhankelijk van ouders, niet eigen voedsel, snel koud, korte
dracht
Nestvlieder: ogen open, vacht, onafhankelijk, eigen voedsel vinden, geen nest, langere
dracht
Mens: nestvliedend & nestblijvend open ogen, kunnen zichzelf niet redden, hersenen
zijn onderontwikkeld
, Natuurlijke en kunstmatige selectie
Natuurlijke selectie: organismen die een selectievoordeel hebben door een genetische
verandering zijn beter aangepast aan hun omgeving en hebben een grotere kans om te
overleven en voort te planten. Hierdoor ontstaat evolutie.
Soort: onderling vruchtbare nakomelingen voortbrengen
Ras: groep in soort met vergelijkbare fysieke kenmerken
Allopatrische soortvorming: nieuwe soorten ontstaan door geografische isolatie van
populaties, ze ontwikkelen zo onafhankelijk van elkaar
Sympatrische soortvorming: nieuwe soorten ontstaan door voorouderlijke populaties
zonder geografische isolatie, vaak door reproductieve isolatie binnen dezelfde omgeving
Evolutie: het keer op keer vormen van verschillende soorten die andere eigenschappen
ontwikkelen.
Kunstmatige selectie: niet op natuurlijke wijze, aanpassing door mensen. Hierdoor blijft
niet de sterkste in leven, en sterven eigenschappen niet uit.