HC ZINTUIGEN
Gedrag: een handeling / houding / kliersecretie als antwoord / respons van een individu
op een interne of externe prikkel onder controle van het zenuwstelsel (planten geen
zenuwstelsel dus geen gedrag)
Ethologie: onderdeel gedragsbiologie, onderzoek naar diergedrag vanuit een
evolutionair/functioneel perspectief
Behaviourisme: aangeleerd gedrag
Prikkel: intern/extern
Proximate:
Oorzaak en mechanisme: Directe aanleiding tot gedrag, wat heeft het geleerd
Ontwikkelen en leren: Hoe komt het gedrag tot stand gedurende de levensjaren
Ultimate:
Functie: Waarom wordt het vertoond
Evolutionaire oorsprong: Hoe het is ontstaan en wat is het verband tussen voorgangers.
Geeft ook aan hoe oud het gedrag is.
Functie: overlevingswaarde = biologische betekenis = adaptieve waarde
Natuurlijke selectie: een dier vertoont gedrag waardoor meer overlevingskansen en
meer nakomelingen worden gemaakt. Nakomeling erven dit en vertonen het ook. Eisen
natuurlijke selectie:
1. Variatie in populatie
2. Variatie genetisch dus erfelijk
3. Het individu moet meer nakomelingen krijgen die vruchtbaar zijn
Gedragingen negatieve gevolgen: er zijn evolutionaire kosten en baten
Hiervoor afweging bij kosten >/< baten
Je wil: baten > kosten
Ethologisch conditioneren: geef een beloning bij een bepaald iets/kleur waardoor ze
een bepaalde associatie krijgen.
fMRI: meten hersenactiviteit
,Elektrofysiologie: als elektrode in axon doen kun je ladingsverandering meten, dus
activatie van het actiepotentiaal in de cel meten.
Sensatie: actie-potentialen die het brein bereiken met informatie over omgeving
Perceptie: gewaarworden van de sensaties
Synesthesie: verminderde afbraak van connecties tussen hersengebieden
(gehoor/visie/reuk). Hierdoor een linking tussen sensibiliteit dus bepaalde associaties
maken.
Als een dier iets eng vindt zal het vaak niet terugkomen naar de stimulus, als het wel de
stimulus blijft opzoeken positieve stimulus
Cup van een oog in evolutie: hierdoor licht/donker onderscheiden en weten waar het licht
vandaag komt
Facetoog: vage beelden/beelden met soort pixels
Verschillende dieren zijn gevoelig voor bepaalde golflengtes/frequenties van licht/geluid
Chemoreceptoren: zoals smaak. Bij zoogdieren/reptielen: feromonen waarnemen met
vomeronasaal orgaan.
Feromonen: geurstoffen die een signaalfunctie hebben naar soortgenoten
Elektromagnetoreceptoren: infra-rood, magnetisme, elektroreceptoren
Sign stimuli: stimuli waar je op een bepaald moment gevoelig voor bent, dus langs
drank lopen met dorst. Dit kan zijn de kleur rood bij een roodborstje waardoor er gedrag
wordt uitgelokt. Sign stimulus afhankelijk van motivationeel systeem.
Voorbeeld: gans die alle voorwerpen die dicht bij het nest liggen die ongeveer de grootte
van een ei hebben
FAP: fixed action pattern, het verloop van het gedrag ligt vrijwel vast. Zelfs bij het
weghalen van de stimulus tijdens de gedragssequentie, wordt het gedrag afgemaakt.
Voordeel FAP: je kunt snel reageren op een situatie zonder al te veel nadenken
Nadeel FAP: kan energie verspillen, doordat activering constant aanstaat of niet meer
nodig is maar het moet wel telkens worden afgemaakt.
Heterogene stimulussummatie: de afzonderlijke prikkels samen zorgen dan voor een
sterkere reactie.
Gestalt: gedrag wordt alleen gedaan bij juiste combinatie van prikkels dus patroon en
richting bijvoorbeeld. Hierdoor alles of niets.
Vertedering: belangrijk voor het uitlokken van zorggedrag = FAP. Hormoon oxytocine is
erbij betrokken.
Supernormale stimulus: normale prikkel verergeren om een sterkere reactie uit te
lokken.
Innate releasing mechanism: filter afhankelijk van motivatie, geeft aan waartoe je
instaat bent
Eerst: Streefgedrag = appetitive: je gaat iets doen doordat emotionele staat wordt
geactiveerd
Daarna: Eind(doel)gedrag = consummatory: eindgedrag, waardoor de motivatie
verdwijnt en het systeem dus remt
, Motivationele isolijnen: relatie stimulus, motivatie en gedrag
X-as: (interne) stimuli: hoeveel testosteron in mannetje en dus voortplantingsmotivatie
Y-as: kracht van de (externe) stimulus: grootte van het vrouwtje
lijnen: drempelwaardes voor bepaald gedrag: baltsgedrag/hofmakerij kan op
verschillende manieren dus meer/minder je best doen
figuur geeft weer: welke stimulus en motivatie nodig is om wat voor gedrag uit te lokken
Motivationele gedragssystemen: honger, dorst, rustgedrag/slapen, uitscheiding,
voortplanting (reproductie + nestbouw + ouderzorg), zelfverzorging,
temperatuurregulatie, agressie, vluchten
Hiërarchie van gedragssystemen: laagste is zelfverzorging, de eerste die verdwijnt als het
niet goed gaat.
Energiemodel Lorenz: motivatie bouwt zich op over tijd + stimulus zorgt ervoor dat de
motivatie uit het vat loopt gedragingen activeren
Aangepast energiemodel: stimulus kan ook leiden tot motivatie
Nadeel energiemodel: levert geen verklaring voor feedback. Normaal zal er remming
plaatvinden door bepaalt gedrag.
Vacuümactiviteit: dier voert gedrag uit zonder aanwezigheid van stimulus. Zo gaat een
kanarie in de lucht een nest bouwen zonder dat er takjes aanwezig zijn.
Hierdoor hoeft er geen stimulus aanwezig te zijn om gedrag te activeren, dus motivatie
kan genoeg zijn. Vluchtgedrag: sterk stimulus gereguleerd, geen motivatie
Homeostasemodel = normwaardemodel: thermostaat
- Streefwaarde: waarop ingesteld
- Actuele waarde: wat het op dat moment is
- Als streefwaarde = actuele waarde gebeurt niks
- Als streefwaarde ≠ actuele waarde respons = fysiologische reactie/gedrag
reactie
- Drempelwaarde voor het bereiken van respons
- Streefwaarde afhankelijk van: ontwikkeling, ervaring, erfelijkheid
- Fysiologische reactie: korte termijn
- Gedrag reactie: lange termijn
- Er kan gedragsfeedback zijn: kauwen/slikken hebben negatieve feedback op
hongersysteem
- Feed forward: bijv. het dorstcentrum van de hond wordt geactiveerd door het eten
van de hond waardoor drinken na eten, het wordt dus nog niet geactiveerd via
opname van nutriënten.
- Short-term feedback: er is maar verzadiging/negatieve feedback voor een hele
korte periode
Biologische klok = circadiane klok: onder invloed van hormonen (cortisol zorgt voor het
vrijmaken van energie), temperatuur, honger, gevoeligheid externe stimuli, slaap
Voordeel: Optimale coördinatie van je fysiologie aan je omgeving, je bent goed eraan
aangepast.
Licht/donker: nodig om de biologische klok op de juiste tijd te resetten, want biologische
klok is 24u en 11 min. Regulatie in hypothalamus.