Beschrijvende en Inferentiële Statistiek
Hoorcollege 5 • Kennisclips Module 10.1 & 10.2
, 1. Inleiding
Beschrijvende statistiek vat de gegevens van een steekproef samen (gemiddelden,
spreiding, frequenties). Inferentiële statistiek gaat een stap verder: op basis van de
steekproef doen we uitspraken over de populatie. We schatten populatieparameters en
toetsen hypothesen.
Twee kernvragen van inferentiële statistiek:
• Hoe goed schat ons steekproefgemiddelde het populatiegemiddelde? →
schattingsmethoden & betrouwbaarheidsintervallen.
• Wijkt onze meting significant af van wat we zouden verwachten? →
hypothesetoetsing.
2. Schattingsmethoden (Estimation)
Bij schatting proberen we een populatieparameter (bv. het gemiddelde μ of de
standaarddeviatie σ) te bepalen op basis van een steekproef. Dit kan op twee manieren.
Type schatting Wat houdt het in?
Puntschatting (point Eén specifieke waarde als beste schatting voor de
estimate) populatieparameter. Bijv.: het steekproefgemiddelde x̄ als
schatting voor μ.
Intervalschatting Een bereik (interval) waarin de populatieparameter met een
(interval estimate) bepaalde waarschijnlijkheid ligt. Bijv.: een 95%-
betrouwbaarheidsinterval.
Tip
Een puntschatting geeft precisie maar geen zekerheid; een intervalschatting geeft
zekerheid maar minder precisie. Daarom worden ze meestal samen gerapporteerd.
3. Betrouwbaarheidsinterval (B.I.)
Een betrouwbaarheidsinterval van een parameter is een interval van waarden waarvan we
met een bepaald vertrouwen aannemen dat de “ware” waarde van de populatieparameter
erin ligt.
Het betrouwbaarheidsniveau (bijv. 95%) is de kans dat het interval, bij oneindig herhalen
van de steekproef, de populatieparameter daadwerkelijk bevat.