Communicatie
Samenvatting hoorcolleges en literatuur
Week 1 t/m Week 6
Literatuur: Hargie hfst. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11
Stone hfst. 1, 2, 3, 4, 5, 6 — Walther (1996)
,Week 1 – Modellen, NVC en sociale interactie
College 1 – Inleiding interpersoonlijke communicatie
IPC-processen bepalen mutual understanding, agreement vs. disagreement, mutual
relationships en achievement of goals.
Twee communicatiemodellen
Model Kenmerken
Source–receiver model Lineair: zender stuurt boodschap → ontvanger.
Transactional model Transactief, coöperatief; mutual meaning en reciprocity
(wederkerigheid).
Het medium bepaalt welk interactief gedrag mogelijk is en wanneer signalen heen-en-weer
kunnen gaan.
Functies van non-verbale communicatie (NVC)
• Replacing verbal communication.
• Regulating conversations.
• Expressing emotions and interpersonal attitudes.
• Negotiating relationships — inclusief nonconscious mimicry: gezichtsuitdrukking,
speech style matching, emotion/mood contagion, behaviour matching → chameleon
effect.
• Conveying personal and social identity.
• Contextualising interaction.
Dominante vs. submissieve lichaamshouding
• Dominant: postural expansion, veel ruimte innemen.
• Submissief: postural constriction, weinig ruimte.
Experiment (confederate): een meewerkende acteur neemt 1 van 2 houdingen aan.
Resultaat:
• Confederate dominant → participant neemt spontaan submissieve houding aan
(small body span).
• Confederate submissief → participant neemt dominante houding aan (large body
span).
→ Eén dominant + één submissief = complementarity → interactie voelt aangenamer.
Beiden dominant of beiden submissief = similarity → interactie voelt relatief
onaangenaam.
, Interpersonal circumplex model
Twee assen: Control (assured/dominant vs. unassured/submissive) en Affiliation (cold-
hearted/hostile vs. warm/friendly). Combinaties geven: arrogant/competitive,
sociable/extraverted, modest/innocent, reserved/introverted.
College 2 – NVC en sociale identiteit
Personal en social identity via NVC
Facial appearance and social judgement: symmetrische en gemiddelde gezichten worden
vaker als sympathieker beoordeeld.
Halo effect = een initiële positieve evaluatie van een persoon zorgt voor positievere
beoordelingen van andere kenmerken.
Het brein categoriseert gezichten automatisch en heel snel. Percepties weerspiegelen
visuele stereotypen, niet werkelijke persoonlijkheidskenmerken (physiognomy). Sommige
studies vinden enige accuratesse, maar gezichtskenmerken zijn niet betrouwbaar gekoppeld
aan persoonlijkheid.
Gezichtskenmerken (bv. huidskleur) activeren onbewust stereotypen en beïnvloeden
interpersoonlijk gedrag.
Shooting bias experiment
Participanten reageerden sneller en accurater wanneer doelen conform stereotype waren
(gewapende zwarten, ongewapende witten), en trager/onnauwkeuriger wanneer stereotypen
geschonden werden (ongewapende zwarten, gewapende witten).
Non-verbal cues to deception
• Meer physical stress.
• Meer emotions.
• Meer cognitive effort (liegen is moeilijker dan waarheid spreken).
• Pogingen om eigen gedrag te controleren.
Leakage cues = emoties die per ongeluk uitlekken via microexpressions.
Facial expressions en fWHR
Het gezicht heeft 44 spieren, samen goed voor > 10.000 mogelijke uitdrukkingen. Paul
Ekman ontwikkelde het Facial Action Coding System (FACS).
Facial width-to-height ratio (fWHR) = mannen hebben gemiddeld een hogere ratio dan
vrouwen; hoger = vaak agressiever.
Literatuur – Hargie H1: Sociation en sociale vaardigheden
Sociation = de aangeboren behoefte aan relaties met anderen.
Drie psychologische basisbehoeften (Self-Determination Theory):
• Competence — zelfvertrouwen en effectiviteit in handelen om doelen te bereiken.