H1.1 een perfecte markt
- Wanneer je overweegt een bedrijf te starten moet je kijken naar verschillende zaken. Je kijk
eerst naar het aantal aanbieders die op de markt opereren. Ook moet je kijken of iets een
homogeen of een heterogeen product is.
Een homogeen product: iedere aanbieder verkoopt het zelfde product en in de ogen van de
consument is er geen verschil.
Een heterogeen product: iedere aanbieder verkoopt verschillende producten en de consument
ziet wel verschil.
Ook zul je moeten kijken hoe moeilijk het is een markt te breden, of er toetredingsdrempels zijn
zoals vergunningen.
- Hieronder staan de verschillende marktvormen en kenmerken, deze paragraaf gaat het over de
volkomen concurrentie.
Wanneer de prijs op de
markt niet te beïnvloeden
is, is het enige wat de
producent kan doen is de
geproduceerde
hoeveelheid aanpassen,
—>
hoeveelheidsaanpasser.
- De marktprijs is de evenwichtsprijs (Qa=Qv)
De winst wordt groter als er meer wordt
geproduceerd, je moet dus de afzet
maximaliseren om de winst te maximaliseren. Dit
geld alleen als de variabele kosten proportioneel
zijn.
- Bij het punt waar de GTK-lijn en de p = MO =
GO elkaar snijden is de winst gelijk aan nul, —
> het break-even-punt. Als er winst wordt
gemaakt ligt de GO-lijn boven de GTK-lijn. In
alle gevallen geldt dat als de marginale
opbrengsten, boven de marginale kosten
liggen, extra productie er steeds voor zorgt
dat de winst toeneemt tot de maximale
productcapaciteit bereikt is.
, - Stel dat de productiecapaciteit gelijk is aan 5000 stuks. De winst
kan je in de gra ek tekenen en berekenen door, deze manier
geldt alleen bij proportioneel variabele kosten (zie guur
hiernaast):
1. TW = TO - TK
2. TO - TK = 2,5 - 1,5 = €1,00
3. Oppervlakte rechthoek is l x b —> 5000 x 1 = TW= €5000
- Bij een kostenverloop bij de wet van toe- en afnemende
meeropbrengsten bereken je de TW op een andere
manier:
Break-even: GO = GTK
Voor volkomen concurrentie geldt:
Maximale omzet: MO = 0
Maximale winst: MO = MK
- De maximale winst arceren doe je door:
1. MO = MK
2. Ga bij dat punt op zoek naar de GTK-lijn
3. Arceer verschillen tussen MO en GTK.
H1.2 De enige aanbieder
- Voor de kenmerken van een monopolie kijk bladzijde 1.
Er zijn vier soorten monopolies:
1. Natuurlijke monopolie: op die markt is het veel handiger als er maar één aanbieder is.
2. Staatsmonopolie: monopolie in handen van de staat.
3. Technisch monopolie: bedrijven die door een octrooi het alleenrecht hebben om producten te
produceren.
4. Feitelijk monopolie: bedrijf die het alleenrecht heeft gekregen door economische macht en dus
de hele markt beheerst.
- Door de afwezigheid van concurrenten kan de monopolist de prijs bepalen, —> hij is de
prijszetter. Daarom zijn de vraaglijn en de GO lijn hetzelfde voor de monopolist.
Voor een monopolie geldt:
Maximale omzet: MO = 0
Maximale winst: MO = MK
-
- MO is de afgeleide van de TO.
Stel: GO = -2q + 20
TO = GO x q —> -2q² + 20q
MO = afgeleide —> MO = -4q + 20
De MO daalt dus 2 keer zo snel dan de GO-lijn.
- Het tekenen van de maximale winst bij een monopolie
doe je als volgt:
1. MO = MK, bij dat snijpunt naar beneden naar de q.
2. Bij die q omhoog naar de GO-lijn.
3. Vanuit dat punt op de GO-lijn en de GTK-lijn en ga bij
beide punten naar de p.
fi fi