Samenvatting Cross Cultural Communication
Walker Wheel: 10 verschillende variabelen en 36 verschillende oriëntaties
1. Environment: (variabele)
Hoeveel macht heb je om de wereld om je heen te veranderen?
- Control: ‘God heeft de wereld gemaakt, maar de Nederlanders hebben Nederland gemaakt’
- Harmony: een markt gebouwd om een spoor heen, en de trein komt er doorheen
- Constraint: de rivier beperkt dat we niet verder kunnen
(attribute)
2. Time: 2 en 5
Multifocus: buschauffeur in Turkije doet veel dingen tegelijk terwijl hij de bus bestuurd
Singlefocues: in Nederland mag je niet met de buschauffeur praten
Fluid: mensen van Curaçao zijn vaak uren later
Fixed: mensen uit Nederland/Duitsland/België zijn vaak 5 minuten eerder dan afgesproken
Past: in sommige Aziatische landen de tafel dekken voor de overleden voorouders
Present: per dag bekijken wat je gaat doen
Future: in Japan maken ze plannen voor de komende 200 jaar
3. Action: 3
Being: relatie, genieten van het moment
Doing: werken, doelen, toekomstige deadlines
4. Communication: 2 en 5
High context: gedeelde ervaringen maken bepaalde dingen duidelijk zonder dat ze expliciet
vermeld hoeven te worden. Regels voor praten en gedrag zijn stilzwijgend in de context.
Low context: uitwisseling van feiten en informatie wordt benadrukt. Informatie wordt
voornamelijk gegeven door woorden en de betekenis wordt expliciet uitgedrukt.
Direct: zeggen wat ze bedoelen
Indirect: er omheen praten
Expressive: veel praten met je handen, je lichaam, je gezicht
Instrumental: voornamelijk praten met je stem
Formal: bij zakelijke situatie
Informal: in privé situaties
5. Space: 2 en 3
Private: je wil niet dat iedereen te dicht bij je komt zitten
Public: graag willen dat iedereen bij je komt zitten en zelf ook graag bij anderen gaan zitten
6. Power: 4
Hierarchy: je baas heeft veel macht, mag meer en staat hoger dan jou
Equality: de afstand tussen je baas en jou is ongeveer gelijk. Iedereen heeft dezelfde rechten.
Walker Wheel: 10 verschillende variabelen en 36 verschillende oriëntaties
1. Environment: (variabele)
Hoeveel macht heb je om de wereld om je heen te veranderen?
- Control: ‘God heeft de wereld gemaakt, maar de Nederlanders hebben Nederland gemaakt’
- Harmony: een markt gebouwd om een spoor heen, en de trein komt er doorheen
- Constraint: de rivier beperkt dat we niet verder kunnen
(attribute)
2. Time: 2 en 5
Multifocus: buschauffeur in Turkije doet veel dingen tegelijk terwijl hij de bus bestuurd
Singlefocues: in Nederland mag je niet met de buschauffeur praten
Fluid: mensen van Curaçao zijn vaak uren later
Fixed: mensen uit Nederland/Duitsland/België zijn vaak 5 minuten eerder dan afgesproken
Past: in sommige Aziatische landen de tafel dekken voor de overleden voorouders
Present: per dag bekijken wat je gaat doen
Future: in Japan maken ze plannen voor de komende 200 jaar
3. Action: 3
Being: relatie, genieten van het moment
Doing: werken, doelen, toekomstige deadlines
4. Communication: 2 en 5
High context: gedeelde ervaringen maken bepaalde dingen duidelijk zonder dat ze expliciet
vermeld hoeven te worden. Regels voor praten en gedrag zijn stilzwijgend in de context.
Low context: uitwisseling van feiten en informatie wordt benadrukt. Informatie wordt
voornamelijk gegeven door woorden en de betekenis wordt expliciet uitgedrukt.
Direct: zeggen wat ze bedoelen
Indirect: er omheen praten
Expressive: veel praten met je handen, je lichaam, je gezicht
Instrumental: voornamelijk praten met je stem
Formal: bij zakelijke situatie
Informal: in privé situaties
5. Space: 2 en 3
Private: je wil niet dat iedereen te dicht bij je komt zitten
Public: graag willen dat iedereen bij je komt zitten en zelf ook graag bij anderen gaan zitten
6. Power: 4
Hierarchy: je baas heeft veel macht, mag meer en staat hoger dan jou
Equality: de afstand tussen je baas en jou is ongeveer gelijk. Iedereen heeft dezelfde rechten.