Leerdoelen Financieel Management 1.4
Inhoud
1. Maak onderscheid tussen opbrengsten en ontvangsten en pas deze begrippen toe.........................2
2. Structureer kosten naar soort (aangeven van het verschil tussen vaste en variabele kosten en
tussen directe en indirecte kosten)........................................................................................................2
3. Bereken de kostprijs van een product of dienst aan de hand van de integrale kostprijsmethode
(IKP) en de opslag methode (zowel primitief als verfijnd)......................................................................3
4. Voer een break-even analyse uit........................................................................................................4
5. Bepaal het resultaat middels de AC- en DC-methode bij een gerealiseerde normale bezetting/afzet
................................................................................................................................................................4
6. Analyseer capaciteiten ten behoeve van de kostprijsberekening.......................................................5
7. Geef aan welke factoren van belang zijn bij het bepalen van de noodzakelijke capaciteit.................6
8. Geef aan wat de oorzaken zijn van een eventuele overcapaciteit en de gevolgen van irrationele
overcapaciteit (irrationeel verlies) voor de kostprijs..............................................................................6
, 1. Maak onderscheid tussen opbrengsten en ontvangsten en pas
deze begrippen toe
Verschil opbrengsten en ontvangsten
- Opbrengst is niet automatisch een ontvangst
- Ontvangst is wanneer de ondernemer geld ontvangt van een betalende partij (bijv. klant of
belastingdienst)
- Bij een ontvangst wordt het banksaldo hoger
- Als de ondernemer een factuur verstuurt wordt dit gezien als een opbrengst, ook als de
betaling pas na een maand gebeurt
- Als de betaling van de klant is ontvangen en op de bankrekening is bijgeschreven, is er een
ontvangst
2. Structureer kosten naar soort (aangeven van het verschil
tussen vaste en variabele kosten en tussen directe en indirecte
kosten)
Kostenindeling naar toerekenbaarheid:
Kostenverbijzondering.
Directe kosten: (productkosten).
Er is een oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de kosten en het product én dit verband kan op
economisch verantwoorde wijze worden vastgesteld.
- Kosten die wel rechtstreeks aan een product of dienst kunnen worden toegerekend.
- Er bestaat een verband tussen de kosten en het eindproduct.
- BV: grondstoffen die nodig zijn of de directe arbeid die geleverd moet worden
Indirecte kosten: (Bedrijfskosten, overheadkosten)
Er is geen oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de kosten en het product of dit verband kan
niet op economisch verantwoorde wijze worden vastgesteld.
- Kosten die niet rechtstreeks aan een product of dienst kunnen worden toegerekend.
- Ze hebben geen specifiek verband met een product maar ontstaan vanuit het totale
productieproces van de onderneming.
- BV: huurkosten van de gebouwen, managementkosten, schoonmaakkosten,
administratiekosten.
Kosten indeling naar variabiliteit:
De wijze waarop de hoogte van de kosten reageert op een verandering in de productie- of
verkoopomvang (vaste en variabele kosten).
Variabele kosten: afhankelijk van de hoeveelheid/productie (bv. inkoopkosten hotelkamers).
- Werkelijke/verwachte productie: verwachte productcapaciteit voor de komende periode.
Constante kosten: onafhankelijk van de hoeveelheid/productie (bv. vastrecht energierekening).
- Normale productie: het aantal producten dat een bedrijf naar schatting gemiddeld per jaar
denkt te produceren.
- Zijn niet afhankelijk van de werkelijke productie maar van de omvang van het bedrijf,
2
Inhoud
1. Maak onderscheid tussen opbrengsten en ontvangsten en pas deze begrippen toe.........................2
2. Structureer kosten naar soort (aangeven van het verschil tussen vaste en variabele kosten en
tussen directe en indirecte kosten)........................................................................................................2
3. Bereken de kostprijs van een product of dienst aan de hand van de integrale kostprijsmethode
(IKP) en de opslag methode (zowel primitief als verfijnd)......................................................................3
4. Voer een break-even analyse uit........................................................................................................4
5. Bepaal het resultaat middels de AC- en DC-methode bij een gerealiseerde normale bezetting/afzet
................................................................................................................................................................4
6. Analyseer capaciteiten ten behoeve van de kostprijsberekening.......................................................5
7. Geef aan welke factoren van belang zijn bij het bepalen van de noodzakelijke capaciteit.................6
8. Geef aan wat de oorzaken zijn van een eventuele overcapaciteit en de gevolgen van irrationele
overcapaciteit (irrationeel verlies) voor de kostprijs..............................................................................6
, 1. Maak onderscheid tussen opbrengsten en ontvangsten en pas
deze begrippen toe
Verschil opbrengsten en ontvangsten
- Opbrengst is niet automatisch een ontvangst
- Ontvangst is wanneer de ondernemer geld ontvangt van een betalende partij (bijv. klant of
belastingdienst)
- Bij een ontvangst wordt het banksaldo hoger
- Als de ondernemer een factuur verstuurt wordt dit gezien als een opbrengst, ook als de
betaling pas na een maand gebeurt
- Als de betaling van de klant is ontvangen en op de bankrekening is bijgeschreven, is er een
ontvangst
2. Structureer kosten naar soort (aangeven van het verschil
tussen vaste en variabele kosten en tussen directe en indirecte
kosten)
Kostenindeling naar toerekenbaarheid:
Kostenverbijzondering.
Directe kosten: (productkosten).
Er is een oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de kosten en het product én dit verband kan op
economisch verantwoorde wijze worden vastgesteld.
- Kosten die wel rechtstreeks aan een product of dienst kunnen worden toegerekend.
- Er bestaat een verband tussen de kosten en het eindproduct.
- BV: grondstoffen die nodig zijn of de directe arbeid die geleverd moet worden
Indirecte kosten: (Bedrijfskosten, overheadkosten)
Er is geen oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de kosten en het product of dit verband kan
niet op economisch verantwoorde wijze worden vastgesteld.
- Kosten die niet rechtstreeks aan een product of dienst kunnen worden toegerekend.
- Ze hebben geen specifiek verband met een product maar ontstaan vanuit het totale
productieproces van de onderneming.
- BV: huurkosten van de gebouwen, managementkosten, schoonmaakkosten,
administratiekosten.
Kosten indeling naar variabiliteit:
De wijze waarop de hoogte van de kosten reageert op een verandering in de productie- of
verkoopomvang (vaste en variabele kosten).
Variabele kosten: afhankelijk van de hoeveelheid/productie (bv. inkoopkosten hotelkamers).
- Werkelijke/verwachte productie: verwachte productcapaciteit voor de komende periode.
Constante kosten: onafhankelijk van de hoeveelheid/productie (bv. vastrecht energierekening).
- Normale productie: het aantal producten dat een bedrijf naar schatting gemiddeld per jaar
denkt te produceren.
- Zijn niet afhankelijk van de werkelijke productie maar van de omvang van het bedrijf,
2