Inleiding in de psychologie, week 1,
Psychocentric theory of the university psychologie heeft veel verbondenheid met andere
disciplines.
H2
- Wetenschap: Het beantwoorden van vragen door het systematisch verzamelen en
analyseren van observeerbare data.
- Empirische wetenschappen Om observatie
- Formele wetenschappen richten op logische deductie
- Pseudowetenschappen willen wetenschappelijk zijn maar zijn dat niet. Pretenderen
wetenschap te zijn maar zijn dit niet
Wetenschappen hebben de volgende kenmerken:
- Duidelijke operationalisatie van begrippen
- Falsifieerbaarheid
- Actiemechanisme
Correlatie: Een correlatie houdt in dat twee variabelen op een ordelijke manier een bepaalde
samenhang vertonen. correlaties vertellen ons niet of er een oorzaak en gevolg relatie tussen twee
variabelen bestaat. (is een derde mogelijke factor die niet is onderzocht, Bier betere carrière)
Causaal verband: sprake is van oorzaak en gevolg
Onderzoek moet ethisch aanvaardbaar zijn.
Observer expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de onderzoeker
Ideomotor effect: zeer kleine, onbewuste (hand)bewegingen van facilitator zijn al voldoende om
hand te sturen.
Subject-expectancy effecten
Placebo effect:
H1
- drie fundamentele ideeën
o Lichamelijke oorzaak van gedrag
Kerk twee entiteiten = lichaam en ziel ziel nodig voor dingen doen
Dualisme
Lichaam kan worden onderzocht ziel niet
Descartes honden hebben geen ziel maar lopen eten slapen
Lichaam en ziel samenwerken pijnappelklier
Cartesiaans dualisme
Aantrekkelijk ruimte wat we weten over zenuwstelsel en biedt ruimte
voor het gevoel er is meer.
Maar zeer beperkte verklaring
Immaterieel niet te onderzoeken
Thomas Hobbes alles is materieel, de ziel is betekenisloos concept
Materialisme
, Paul Broca specialisatie in hersenen, gebied van Broca beperkte spraak
als er schade is.
o Rol van ervaringen
Empirisme: kennis en cognitie komen voort uit zintuigelijke ervaring
Mens in tabula rasa leeg vel
Gedachten gevolg van blootstelling aan omgeving.
Nativisme gedrag is aangeboren
Kant a priori aangeboren en a posteriori aangeleerd
o Rol van natuurlijke selectie
Darwin soorten evolueren over generaties functionalisme
o Wundt eerste echte experimenteel psycholoog, psychologie staat los van filosofie
- acht perspectieven
o Evolutionair
o Gedragsgenetica
o Neurowetenschap
o Ontwikkelingspsychologie
o Leerpsychologie
o Cognitieve psychologie
o Sociale psychologie
o Culturele psychologie
Inleiden in de psychologie, week 2
Darwin:
- Darwin had geen weer van het bestaan van genen of het mechanisme van mutaties
- Organismen zijn niet statisch (creatitionisme) maar veranderen zolang de omgeving zich
wijzigt.
- Fittest verwijst naar ‘best aangepast’ en niet ‘sterkste’
- Overleven en daarna maximaliseren van de voortplanting is ‘het doel van het leven’
Twee selectiecriteria voor een eigenschap: ‘overleven van de soort’ en ‘maximale voortplanting’
Genen:
- Genen zijn een onderdeel van chromosomen
- Genen hebben invloed op de productie van eiwitmoleculen maar ongeveer 80% van het DNA
heeft een ‘vage functie’ (DNA Junk)
- Mensen hebben 20k – 25k verschillenden soorten genen op 42 chromosomen
- 23 paar chromosomen
- Cel chromosoom DNA gen
Franklin ontdekker van de structuur van DNA
,Soorten genen
- Tunneling microscope: de dubbele helix is ‘duidelijk’ zichtbaar
- Twee soorten genen:
o Coding genes: zorgen dat de juiste soort eiwit geproduceerd waarmee onderdelen
van het lichaam kunnen worden gebouwd (wat)
o Regulatory genes: regelen activatie coding genes (wanneer)
Van genen naar gedrag, gen activatie eiwitten psychologische systeem gedrag (sportschool)
Genen en de omgeving
- Verschillen in DNA kunnen niet alles verklaren
- De omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol
o Variatie binnen de groep: genetisch
o Variatie tussen de groepen: omgeving
Genotype <> Fenotype
- Genotype: de set genen die je hebt (onafhankelijk van omgeving)
- Fenotype: wat observeerbaar is als fysieke eigenschappen of gedrag van het organisme
(afhankelijk van omgeving)
- Evolutie rondom genotype
- Klonen
- Epigenetica = eigenschappen die zich buiten het DNA laten overerven
Mendel
- Deed onderzoek naar verschillende (zichtbare) eigenschappen van erwten
- Koos bij toeval eigenschappen van de erwt die ‘single gene’ waren
- Belangrijk: we ontstaan nooit nieuwe soorten, het gaat om de variatie binnen de soort
Erfelijkheid
- Genen planten zich voort door middel van:
o Meiosis (eicel/spermacel)
o Mitosis (overige cellen)
- Voor nieuw leven (zygote) is een combinatie van twee sets van 46 (23 paar) chromosomen
nodig
- Eigenschappen komen daarom in paren voor:
o Monozygoot (RR)
o Heterozygoot (Rr)
- Sommige eigenschappen zijn ‘dominant’, andere ‘recessief’
Genen en gedrag
- Aanname: ons gedrag heeft een genetische component
- Dus: dat gedrag is ook onderworpen aan de wetten van de evolutie (Distal explanation)
- Twee vragen
o Is een gedeelte van ons gedrag genetisch bepaald?
, o Hoe bepalen we welk gedeelte en hoe dat werkt? (proximate explanation)
Eigenschappen
Homology: vergelijkbare functies, zelfde genische ‘oer’ oorsprong
Analogy: vergelijkbare functies, verschillende genetische oorsprong
Inleiding in de psychologie, week 2,
Zenuwstelsel
- Centrale zenuwstelsel bevat brein en ruggenmerg
- Perifeer zenuwstelsel bevat zenuwen
o Zenuwen verbinden centrale zenuwstelsel met zintuigen spieren en klieren
Neuronen
- Interneuronen verantwoordelijk voor iedere organiseren, verzamelen in CZS
- Motor neuronen Brengen informatie vanuit centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren
- Sensorische neuronen brengen informatie van zintuigen naar centrale zenuwstelsel
Elektrische signalen
Detail axon actiepotentiaal getriggert door verschil elektrische lading binnen de cel en buiten.
Kanaaltjes zorgen voor stroom positieve deeltjes naar binnen en buiten
Poort voor kalium
Poort voor natrium open stroomt natrium de cel in dus binnen de cel positiever en dan sodium cel
uit zodat de cel weer tot rust komt.
Depolarisatie natrium komt de cel in cel positiever
RepolarisatieKalium de cel uit weer terug in rust potentiaal (altijd negatief?)
Psychocentric theory of the university psychologie heeft veel verbondenheid met andere
disciplines.
H2
- Wetenschap: Het beantwoorden van vragen door het systematisch verzamelen en
analyseren van observeerbare data.
- Empirische wetenschappen Om observatie
- Formele wetenschappen richten op logische deductie
- Pseudowetenschappen willen wetenschappelijk zijn maar zijn dat niet. Pretenderen
wetenschap te zijn maar zijn dit niet
Wetenschappen hebben de volgende kenmerken:
- Duidelijke operationalisatie van begrippen
- Falsifieerbaarheid
- Actiemechanisme
Correlatie: Een correlatie houdt in dat twee variabelen op een ordelijke manier een bepaalde
samenhang vertonen. correlaties vertellen ons niet of er een oorzaak en gevolg relatie tussen twee
variabelen bestaat. (is een derde mogelijke factor die niet is onderzocht, Bier betere carrière)
Causaal verband: sprake is van oorzaak en gevolg
Onderzoek moet ethisch aanvaardbaar zijn.
Observer expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de onderzoeker
Ideomotor effect: zeer kleine, onbewuste (hand)bewegingen van facilitator zijn al voldoende om
hand te sturen.
Subject-expectancy effecten
Placebo effect:
H1
- drie fundamentele ideeën
o Lichamelijke oorzaak van gedrag
Kerk twee entiteiten = lichaam en ziel ziel nodig voor dingen doen
Dualisme
Lichaam kan worden onderzocht ziel niet
Descartes honden hebben geen ziel maar lopen eten slapen
Lichaam en ziel samenwerken pijnappelklier
Cartesiaans dualisme
Aantrekkelijk ruimte wat we weten over zenuwstelsel en biedt ruimte
voor het gevoel er is meer.
Maar zeer beperkte verklaring
Immaterieel niet te onderzoeken
Thomas Hobbes alles is materieel, de ziel is betekenisloos concept
Materialisme
, Paul Broca specialisatie in hersenen, gebied van Broca beperkte spraak
als er schade is.
o Rol van ervaringen
Empirisme: kennis en cognitie komen voort uit zintuigelijke ervaring
Mens in tabula rasa leeg vel
Gedachten gevolg van blootstelling aan omgeving.
Nativisme gedrag is aangeboren
Kant a priori aangeboren en a posteriori aangeleerd
o Rol van natuurlijke selectie
Darwin soorten evolueren over generaties functionalisme
o Wundt eerste echte experimenteel psycholoog, psychologie staat los van filosofie
- acht perspectieven
o Evolutionair
o Gedragsgenetica
o Neurowetenschap
o Ontwikkelingspsychologie
o Leerpsychologie
o Cognitieve psychologie
o Sociale psychologie
o Culturele psychologie
Inleiden in de psychologie, week 2
Darwin:
- Darwin had geen weer van het bestaan van genen of het mechanisme van mutaties
- Organismen zijn niet statisch (creatitionisme) maar veranderen zolang de omgeving zich
wijzigt.
- Fittest verwijst naar ‘best aangepast’ en niet ‘sterkste’
- Overleven en daarna maximaliseren van de voortplanting is ‘het doel van het leven’
Twee selectiecriteria voor een eigenschap: ‘overleven van de soort’ en ‘maximale voortplanting’
Genen:
- Genen zijn een onderdeel van chromosomen
- Genen hebben invloed op de productie van eiwitmoleculen maar ongeveer 80% van het DNA
heeft een ‘vage functie’ (DNA Junk)
- Mensen hebben 20k – 25k verschillenden soorten genen op 42 chromosomen
- 23 paar chromosomen
- Cel chromosoom DNA gen
Franklin ontdekker van de structuur van DNA
,Soorten genen
- Tunneling microscope: de dubbele helix is ‘duidelijk’ zichtbaar
- Twee soorten genen:
o Coding genes: zorgen dat de juiste soort eiwit geproduceerd waarmee onderdelen
van het lichaam kunnen worden gebouwd (wat)
o Regulatory genes: regelen activatie coding genes (wanneer)
Van genen naar gedrag, gen activatie eiwitten psychologische systeem gedrag (sportschool)
Genen en de omgeving
- Verschillen in DNA kunnen niet alles verklaren
- De omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol
o Variatie binnen de groep: genetisch
o Variatie tussen de groepen: omgeving
Genotype <> Fenotype
- Genotype: de set genen die je hebt (onafhankelijk van omgeving)
- Fenotype: wat observeerbaar is als fysieke eigenschappen of gedrag van het organisme
(afhankelijk van omgeving)
- Evolutie rondom genotype
- Klonen
- Epigenetica = eigenschappen die zich buiten het DNA laten overerven
Mendel
- Deed onderzoek naar verschillende (zichtbare) eigenschappen van erwten
- Koos bij toeval eigenschappen van de erwt die ‘single gene’ waren
- Belangrijk: we ontstaan nooit nieuwe soorten, het gaat om de variatie binnen de soort
Erfelijkheid
- Genen planten zich voort door middel van:
o Meiosis (eicel/spermacel)
o Mitosis (overige cellen)
- Voor nieuw leven (zygote) is een combinatie van twee sets van 46 (23 paar) chromosomen
nodig
- Eigenschappen komen daarom in paren voor:
o Monozygoot (RR)
o Heterozygoot (Rr)
- Sommige eigenschappen zijn ‘dominant’, andere ‘recessief’
Genen en gedrag
- Aanname: ons gedrag heeft een genetische component
- Dus: dat gedrag is ook onderworpen aan de wetten van de evolutie (Distal explanation)
- Twee vragen
o Is een gedeelte van ons gedrag genetisch bepaald?
, o Hoe bepalen we welk gedeelte en hoe dat werkt? (proximate explanation)
Eigenschappen
Homology: vergelijkbare functies, zelfde genische ‘oer’ oorsprong
Analogy: vergelijkbare functies, verschillende genetische oorsprong
Inleiding in de psychologie, week 2,
Zenuwstelsel
- Centrale zenuwstelsel bevat brein en ruggenmerg
- Perifeer zenuwstelsel bevat zenuwen
o Zenuwen verbinden centrale zenuwstelsel met zintuigen spieren en klieren
Neuronen
- Interneuronen verantwoordelijk voor iedere organiseren, verzamelen in CZS
- Motor neuronen Brengen informatie vanuit centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren
- Sensorische neuronen brengen informatie van zintuigen naar centrale zenuwstelsel
Elektrische signalen
Detail axon actiepotentiaal getriggert door verschil elektrische lading binnen de cel en buiten.
Kanaaltjes zorgen voor stroom positieve deeltjes naar binnen en buiten
Poort voor kalium
Poort voor natrium open stroomt natrium de cel in dus binnen de cel positiever en dan sodium cel
uit zodat de cel weer tot rust komt.
Depolarisatie natrium komt de cel in cel positiever
RepolarisatieKalium de cel uit weer terug in rust potentiaal (altijd negatief?)