College 1: Analyse en aanpak van probleemgedrag bij mensen
met verstandelijke en meervoudige beperkingen
Module 1: Gedrags- en psychisiche problemen bij beperking of ASS
1. DEFINITIE EN PREVALENTIE PROBLEEMGEDRAG
1.1 DEFINITIE PROBLEEMGEDRAG (TEKST B P5)
“Probleemgedrag is internaliserend en/of externaliserend gedrag dat door de persoon zelf en/of
de omgeving in een specifieke context als sociaal-cultureel ongewenst wordt gezien en dat van
zodanige intensiteit, frequentie of duur is, dat het voor de persoon zelf en/of de naaste omgeving
nadelig, stressvol of schadelijk is.”
Types van probleemgedrag
• Zelfverwonding
• Agressief gedrag (verbaal, fysiek)
• Destructief gedrag
• Emotionele uitbarstingen
• Stereotiep/repetitief gedrag: we gaan dit niet altijd per definitie als probleem ervaren
o Bv. een tic of met de ogen knipperen maar ook zo’n gedrag kan een impact
hebben op de levenskwaliteit van een persoon
• Seksueel ongepast gedrag
o Openbare ruimtes
• Verzet tegen regels
• Risicovol gedrag
• Voedingsproblemen
• Andere
Benoemen van gedrag als probleemgedrag (of het gedrag uiteindelijk als probleemgedrag
ervaren wordt):
• Afhankelijk van aard, intensiteit, frequentie en duur (bv lage frequentie maar hoge
intensiteit)
• Afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau
o Bv van een peuter, kleuter vinden we bepaald gedrag aanvaardbaar
o Bij kinderen met VB zal bepaald gedrag normaal, typisch zijn voor een bepaalde
leeftijd en niet noodzakelijk als probleemgedrag beschouwd worden
o Mensen met VB functioneren op sociaal emotioneel vlak soms op een lager
niveau u
o Het is gedrag dat je misschien kan begrijpen vanuit het ontwikkelingsniveau
• Afhankelijk van consequenties
o Bv stereotiep gedrag zoals fladderen met handen heeft geen impact op
functioneren, niet schadelijk => hoeft niet per se als probleemgedrag ervaren
worden
Pagina 1 van 179
, • Diverse perspectieven
1.2 PREVALENTIE PROBLEEMGEDRAG
Prevalentie - kinderen
• ELENA, regionale cohortstudie in Frankrijk
• 876 kinderen en jongeren (2–16 jaar) met een eerste diagnose van ASS volgens DSM-5
o 74,4% internaliserend probleemgedrag van die cohort kinderen
o 53,2% externaliserend probleemgedrag
• 45.7% van de participanten had ook een VB - kinderen met lager IQ en lagere adaptieve
vaardigheden vertoonden meer probleemgedrag
Prevalentie – volwassenen
• Een populatiestudie in Jersey (UK): vertrekken niet van
een handicapstudie maar van alle volwassene in een
bepaalde regio ongeacht of ze in een bepaalde
voorziening zitten of niet
• Ongeveer 18% van die volwassenen vertoond ook
gedragsproblemen
• Het is dus een problematiek die veel voorkomt en is een heel brede problematiek dus de
aard kan heel divers zijn
Samenhangende factoren
• Bij alle categorieën
o moeilijkheden met communicatie
o ernstig/diep VB
• Bij specifieke categorieën
o mobiliteitsproblemen
o visuele beperkingen
o epilepsie
o ASS
o genetische syndroom
o geen dagactiviteiten
o leven in residentiële setting
Dit allemaal samen is de cumulatieve risk index: een risicofactor die impact kan hebben op het
blijvend bestaand van probleemgedrag
2. VISIE
• 1. Probleemgedrag is betekenisvol gedrag
o Mensen met VB en autisme communiceren bepaalde noden, ervaringen of emoties
d.m.v. probleemgedrag
o Probleemgedrag is een doelgerichte respons op de omgeving: om iets te verkrijgen
(aandacht, prikkels, objecten) of iets te vermijden (prikkels, eisen)
Pagina 2 van 179
, ▪ Iets willen bereiken of net aan iets willen ontsnappen = een vorm van
communicatie want het is iets duidelijk maken
o Het probleem gedrag ontstaat niet toevallig het heeft een betekenis, het is iets wat die
persoon wil zeggen
o De insteek moet meer zijn wat de betekenis is van dat gedrag
o ze proberen hun wensen en noden duidelijk te maken, ze willen iets zeggen aan hun
omgeving
o Het kan ook niet intentioneel zijn maar kan soms ook heel doelgericht zijn: iets bereiken
of aan iets te ontsnappen is ook een vorm van communicatie
o Zogenaamd probleemgedrag kan adaptief zijn in bepaalde ontwikkelingsfasen
▪ Bv. als iemand koppig gedrag stelt is het niet altijd probleemgedrag maar vanuit
de ontwikkelingsfase waarin de persoon zich bevindt net aangepast gedrag
• 2. Probleemgedrag is interactioneel: we gaan altijd de omgeving mee betrekken
o Er kunnen verschillende perspectieven zijn op probleemgedrag
▪ Bv. als een cliënt zich misdraagt kan de ene hulpverlener dit zeer problematisch
vinden terwijl de andere dit niet vindt
o Probleemgedrag ontstaat vaak in interactie met de omgeving, en ook in het zoeken van
oplossingen staat een relationele en contextuele benadering centraal.
▪ Dat wilt niet zeggen dat er ook geen individuele factoren kunnen spelen maar in
welke mate dat probleemgedrag naar boven komt en hoe erop gereageerd wordt
bepaald of dit blijft bestaan of niet dus je moet die omgeving mee in beeld
brengen
o Probleemgedrag is vaak gevolg van een complexe wisselwerking tussen biologische,
psychologische en sociale factoren.
• 3. Probleemgedrag heeft een nefaste impact op levenskwaliteit - Kwaliteit van leven is in het
gedrang:
o Schade aan zichzelf of anderen, op materieel, lichamelijk, psychisch vlak
▪ Bv. Emotionele schade zoals niet meer mee mogen
o Belemmert functioneren, sociale interacties en maatschappelijke participatie
▪ Het begint vaak met kleine stappen maar op een gegeven moment zijn mensen
zo angstig voor het probleemgedrag dat ze geïsoleerd op hun kamer zitten bv. en
zo dus uitgesloten worden van allerlei soorten activiteiten etc.
o Verhoogde stress en draaglast bij persoon zelf of direct betrokkenen
▪ Ouders of begeleiding die het niet meer aankunnen
• 4. Focus op krachten is essentieel
o De krachten kunnen een beschermende/protectieve factor zijn voor de persoon.
▪ Bv. een stagiair kan nog de positieve krachten zien van iemand omdat die er nog
een beetje onbevooroordeeld naar kijkt terwijl een team dit niet meer ziet
▪ Focussen kunnen leggen op de positieve dingen, als orthopedagoog moet je de
opening maken en de positieve dingen proberen te zien.
o De krachten zijn vaak een zinvol aangrijpingspunt voor verandering.
Pagina 3 van 179
, • 5. Een systematische en multifactoriële benadering is nodig
o Multidisciplinair en gefaseerd
▪ Bv. als er biologische elementen aan de orde zijn heb je een arts nodig of sprake
van psychiatrische problematieken moet je ook een psychiater betrekken =
multidisciplinariteit
o Participatie van persoon met beperkingen en naasten
▪ Wat is het perspectief van de persoon zelf en hoeveel verantwoordelijkheid
kunnen we aan de persoon geven
o Brede assessment
▪ Biopsychosociale van een persoon
o Meervoudig kijken, met aandacht voor belevingen (emoties), betekenissen (opvattingen,
meningen), en belangen (behoeften, waarden, normen)
o Specifiek kijken, met aandacht voor de unieke persoon in een unieke context
o Dynamisch doorheen de tijd
Allemaal elementen die in het analysekader een plek krijgen
3. ANALYSEKADER
MULTIFACTORIËLE ANALYSE VAN PROBLEEMGEDRAG
Stap 1 (Embregts et al., 2019): Herkenning en definiëring
van probleemgedrag
• Hoe ziet het gedrag eruit, hoe wordt het beleefd
door de persoon zelf en betrokkenen, welke
betekenis geeft men aan het gedrag en welke
belangen en behoeften zijn gerelateerd aan het
gedrag?
• Sinds wanneer, op welke momenten en hoe vaak
komt het gedrag voor en wat zijn de gevolgen van het
gedrag?
• Levert het gedrag ernstig nadeel op voor de persoon zelf, beperkt het zijn ontplooiingskansen
en/of zijn de gevolgen van het gedrag negatief voor de kwaliteit van leven van één of meerdere
betrokkenen?
• Bestaat het vermoeden dat de persoon somatische en/of psychische problemen ervaart die
aanleiding vormen voor het gedrag?
• Levert het gedrag ernstig nadeel op voor omstanders?
• Welke beschermende factoren en/of kwaliteiten zijn bij of rond de persoon aan te wijzen?
Stap 2: Leren van de voorgeschiedenis
• Wat is het levensverhaal van de cliënt
• Wat zijn belangrijke mijlpalen in het leven van de cliënt?
• Hoe ging de cliënt om met stress?
• Wat zijn de belangrijke personen in het leven van de cliënt?
• Heeft het probleemgedrag zich eerder voorgedaan?
• Wat waren toen de analyse, interventies en het resultaat?
Pagina 4 van 179
met verstandelijke en meervoudige beperkingen
Module 1: Gedrags- en psychisiche problemen bij beperking of ASS
1. DEFINITIE EN PREVALENTIE PROBLEEMGEDRAG
1.1 DEFINITIE PROBLEEMGEDRAG (TEKST B P5)
“Probleemgedrag is internaliserend en/of externaliserend gedrag dat door de persoon zelf en/of
de omgeving in een specifieke context als sociaal-cultureel ongewenst wordt gezien en dat van
zodanige intensiteit, frequentie of duur is, dat het voor de persoon zelf en/of de naaste omgeving
nadelig, stressvol of schadelijk is.”
Types van probleemgedrag
• Zelfverwonding
• Agressief gedrag (verbaal, fysiek)
• Destructief gedrag
• Emotionele uitbarstingen
• Stereotiep/repetitief gedrag: we gaan dit niet altijd per definitie als probleem ervaren
o Bv. een tic of met de ogen knipperen maar ook zo’n gedrag kan een impact
hebben op de levenskwaliteit van een persoon
• Seksueel ongepast gedrag
o Openbare ruimtes
• Verzet tegen regels
• Risicovol gedrag
• Voedingsproblemen
• Andere
Benoemen van gedrag als probleemgedrag (of het gedrag uiteindelijk als probleemgedrag
ervaren wordt):
• Afhankelijk van aard, intensiteit, frequentie en duur (bv lage frequentie maar hoge
intensiteit)
• Afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau
o Bv van een peuter, kleuter vinden we bepaald gedrag aanvaardbaar
o Bij kinderen met VB zal bepaald gedrag normaal, typisch zijn voor een bepaalde
leeftijd en niet noodzakelijk als probleemgedrag beschouwd worden
o Mensen met VB functioneren op sociaal emotioneel vlak soms op een lager
niveau u
o Het is gedrag dat je misschien kan begrijpen vanuit het ontwikkelingsniveau
• Afhankelijk van consequenties
o Bv stereotiep gedrag zoals fladderen met handen heeft geen impact op
functioneren, niet schadelijk => hoeft niet per se als probleemgedrag ervaren
worden
Pagina 1 van 179
, • Diverse perspectieven
1.2 PREVALENTIE PROBLEEMGEDRAG
Prevalentie - kinderen
• ELENA, regionale cohortstudie in Frankrijk
• 876 kinderen en jongeren (2–16 jaar) met een eerste diagnose van ASS volgens DSM-5
o 74,4% internaliserend probleemgedrag van die cohort kinderen
o 53,2% externaliserend probleemgedrag
• 45.7% van de participanten had ook een VB - kinderen met lager IQ en lagere adaptieve
vaardigheden vertoonden meer probleemgedrag
Prevalentie – volwassenen
• Een populatiestudie in Jersey (UK): vertrekken niet van
een handicapstudie maar van alle volwassene in een
bepaalde regio ongeacht of ze in een bepaalde
voorziening zitten of niet
• Ongeveer 18% van die volwassenen vertoond ook
gedragsproblemen
• Het is dus een problematiek die veel voorkomt en is een heel brede problematiek dus de
aard kan heel divers zijn
Samenhangende factoren
• Bij alle categorieën
o moeilijkheden met communicatie
o ernstig/diep VB
• Bij specifieke categorieën
o mobiliteitsproblemen
o visuele beperkingen
o epilepsie
o ASS
o genetische syndroom
o geen dagactiviteiten
o leven in residentiële setting
Dit allemaal samen is de cumulatieve risk index: een risicofactor die impact kan hebben op het
blijvend bestaand van probleemgedrag
2. VISIE
• 1. Probleemgedrag is betekenisvol gedrag
o Mensen met VB en autisme communiceren bepaalde noden, ervaringen of emoties
d.m.v. probleemgedrag
o Probleemgedrag is een doelgerichte respons op de omgeving: om iets te verkrijgen
(aandacht, prikkels, objecten) of iets te vermijden (prikkels, eisen)
Pagina 2 van 179
, ▪ Iets willen bereiken of net aan iets willen ontsnappen = een vorm van
communicatie want het is iets duidelijk maken
o Het probleem gedrag ontstaat niet toevallig het heeft een betekenis, het is iets wat die
persoon wil zeggen
o De insteek moet meer zijn wat de betekenis is van dat gedrag
o ze proberen hun wensen en noden duidelijk te maken, ze willen iets zeggen aan hun
omgeving
o Het kan ook niet intentioneel zijn maar kan soms ook heel doelgericht zijn: iets bereiken
of aan iets te ontsnappen is ook een vorm van communicatie
o Zogenaamd probleemgedrag kan adaptief zijn in bepaalde ontwikkelingsfasen
▪ Bv. als iemand koppig gedrag stelt is het niet altijd probleemgedrag maar vanuit
de ontwikkelingsfase waarin de persoon zich bevindt net aangepast gedrag
• 2. Probleemgedrag is interactioneel: we gaan altijd de omgeving mee betrekken
o Er kunnen verschillende perspectieven zijn op probleemgedrag
▪ Bv. als een cliënt zich misdraagt kan de ene hulpverlener dit zeer problematisch
vinden terwijl de andere dit niet vindt
o Probleemgedrag ontstaat vaak in interactie met de omgeving, en ook in het zoeken van
oplossingen staat een relationele en contextuele benadering centraal.
▪ Dat wilt niet zeggen dat er ook geen individuele factoren kunnen spelen maar in
welke mate dat probleemgedrag naar boven komt en hoe erop gereageerd wordt
bepaald of dit blijft bestaan of niet dus je moet die omgeving mee in beeld
brengen
o Probleemgedrag is vaak gevolg van een complexe wisselwerking tussen biologische,
psychologische en sociale factoren.
• 3. Probleemgedrag heeft een nefaste impact op levenskwaliteit - Kwaliteit van leven is in het
gedrang:
o Schade aan zichzelf of anderen, op materieel, lichamelijk, psychisch vlak
▪ Bv. Emotionele schade zoals niet meer mee mogen
o Belemmert functioneren, sociale interacties en maatschappelijke participatie
▪ Het begint vaak met kleine stappen maar op een gegeven moment zijn mensen
zo angstig voor het probleemgedrag dat ze geïsoleerd op hun kamer zitten bv. en
zo dus uitgesloten worden van allerlei soorten activiteiten etc.
o Verhoogde stress en draaglast bij persoon zelf of direct betrokkenen
▪ Ouders of begeleiding die het niet meer aankunnen
• 4. Focus op krachten is essentieel
o De krachten kunnen een beschermende/protectieve factor zijn voor de persoon.
▪ Bv. een stagiair kan nog de positieve krachten zien van iemand omdat die er nog
een beetje onbevooroordeeld naar kijkt terwijl een team dit niet meer ziet
▪ Focussen kunnen leggen op de positieve dingen, als orthopedagoog moet je de
opening maken en de positieve dingen proberen te zien.
o De krachten zijn vaak een zinvol aangrijpingspunt voor verandering.
Pagina 3 van 179
, • 5. Een systematische en multifactoriële benadering is nodig
o Multidisciplinair en gefaseerd
▪ Bv. als er biologische elementen aan de orde zijn heb je een arts nodig of sprake
van psychiatrische problematieken moet je ook een psychiater betrekken =
multidisciplinariteit
o Participatie van persoon met beperkingen en naasten
▪ Wat is het perspectief van de persoon zelf en hoeveel verantwoordelijkheid
kunnen we aan de persoon geven
o Brede assessment
▪ Biopsychosociale van een persoon
o Meervoudig kijken, met aandacht voor belevingen (emoties), betekenissen (opvattingen,
meningen), en belangen (behoeften, waarden, normen)
o Specifiek kijken, met aandacht voor de unieke persoon in een unieke context
o Dynamisch doorheen de tijd
Allemaal elementen die in het analysekader een plek krijgen
3. ANALYSEKADER
MULTIFACTORIËLE ANALYSE VAN PROBLEEMGEDRAG
Stap 1 (Embregts et al., 2019): Herkenning en definiëring
van probleemgedrag
• Hoe ziet het gedrag eruit, hoe wordt het beleefd
door de persoon zelf en betrokkenen, welke
betekenis geeft men aan het gedrag en welke
belangen en behoeften zijn gerelateerd aan het
gedrag?
• Sinds wanneer, op welke momenten en hoe vaak
komt het gedrag voor en wat zijn de gevolgen van het
gedrag?
• Levert het gedrag ernstig nadeel op voor de persoon zelf, beperkt het zijn ontplooiingskansen
en/of zijn de gevolgen van het gedrag negatief voor de kwaliteit van leven van één of meerdere
betrokkenen?
• Bestaat het vermoeden dat de persoon somatische en/of psychische problemen ervaart die
aanleiding vormen voor het gedrag?
• Levert het gedrag ernstig nadeel op voor omstanders?
• Welke beschermende factoren en/of kwaliteiten zijn bij of rond de persoon aan te wijzen?
Stap 2: Leren van de voorgeschiedenis
• Wat is het levensverhaal van de cliënt
• Wat zijn belangrijke mijlpalen in het leven van de cliënt?
• Hoe ging de cliënt om met stress?
• Wat zijn de belangrijke personen in het leven van de cliënt?
• Heeft het probleemgedrag zich eerder voorgedaan?
• Wat waren toen de analyse, interventies en het resultaat?
Pagina 4 van 179