Hoofdstuk 1
De wetenschappelijke naam van Schimmels en zwammen is Fungi (ook wel
myceteae) dit zijn eukaryotische organismen. Ze zijn net als dieren heterotroof,
dat wil zeggen dat ze hun organische bouwstenen voor de celopbouw (groei)
nodig hebben en die dus van andere (afgestorven organismen moeten
betrekken.
Zij onderscheiden van de dieren door de aanwezigheid van een celwand
(bestaande uit chitine)
Schimmels zijn aëroob, maar zelfs bij zeer lage zuurstofconcentraties is groei
mogelijk.
Schimmels zijn draadvormig fungi waardoor de groei een typisch stoffig, wollig of
harig uiterlijk geeft. Gisten zijn meestal eencellig en vormen gladde kolonies.
De meeste schimmels bestaan uit draden(filamenten of hyfen) die vertakken en
uitgroeien over of in het substraat waarde schimmel op groeit.
De Hyfen bestaan uit verschillende cellen, gescheiden door dwarswanden met
een perforatie. Het geheel van hyfen heet het mycelium. De draden worden
langer door verlenging aan de uiteinde.
Met de hyfen neemt de schimmel voedsel op uit hun omgeving, aan de uiteinden
van de draden kunnen zich sporendragers ontwikkeling. In de sporendragers
ontwikkelen zich sporen. Sporen zijn voortplatingscellen. Uit een spore kan een
nieuwe schimmeldraad groeien.
1.2 vorm en grootte van schimmels
er zijn zowel eencellige schimmels, zoals gisten, als meercellige schimmels.
Meercellige leven op een vaste ondergrond bijvoorbeeld op de bodem of op (al
dan niet levend) hout van bomen. Meercellige schimmels hebben een thallus, in
tegenstelling tot planten en dieren die een ‘compact’lichaam bezitten. Dit thallus
bestaat uit in de ondergrond groeiende schimmeldraden
microscopisch dunne draden met een doorsnee van 2 tot 100 micrometer. Die
samen een netwerk vormen. Het gehele netwerk van draden wordt mycelium of
zwamvlok genoemd.
De vorm van de schimmeldraden hang sterk af van de schimmelsoort
Bij op planten parasiterende soorten zitten vaak aan het einde van de
schimmeldraad Haustoriën, zuigende organen die in de cellen van de plant
doordringen om daar voedingstoffen te onttrekken. Sommige schimmels zijn
carnivoor, ze kunnen in hun netwerk van schimmeldraden kleine dieren als
rondwormen vangen. Bij sommige soorten liggen bundels schimmeldraden
parallel naast elkaar, deze bundels worden synnemata of rizomorfen genoemd
en kunnen wel op de wortels van planten lijken.
, Het opvallende deel van meercellige schimmels zijn de bovengrondse
vruchtlichamen en minder de ondergrondse schimmeldraden. Deze organen
worden paddenstoelen genoemd en dienen voor de voortplanting
Ze kunnen behalve verschillende kleuren ook veel verschillende vormen hebben.
Zoals hoedvormig, rond, kokervormig, knolvormig of in de vorm van korsten.
hoewel ze voor mensen het opvallendste deel zijn, vormen ze maar een klein
deel van het organisme. Bij sommige soorten, zoals truffels, zit het
vruchtlichaam overigens ondergronds. Het vruchtlichaam bestaat niet uit echt
weefsel, maar uit nauw vervlochten schimmeldraden. Men spreekt daarom wel
van “schijnweefsel” paddenstoelen hebben een dat hymenofoor genoemd wordt,
met een hymenium,vv een deel waarin sporen ontwikkelen.
Voorplanting schimmels
Voorplanting bij schimmels
• Ongeslachtelijk
massale productie en verspreiding van sporen Conidien
• Geslachtelijk
leidt tot verandering in het DNA, schimmels passen zich aan een
veranderende omgeving aan
Schimmels kunnen geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten ( dit heet
vegetatief)
Ongeslachtelijk: de ongeslachtelijke voortplanting bij schimmels uit zich vaak in
een massale productie en verspreiding van lichte kleine sporen (conidien), die
vaak blauw, groen, zwart en soms witte gekleurd. Deze ongeslachtelijke
vermeerdering vindt veel frequenter plaats dan de geslachtelijke voortplanting.
Hierdoor kunnen schimmels zich via de lucht en ventilatie kanalen verspreiden.
Verloop voortplanting ongeslachtelijk
- Sporen worden gevormd, Dan komen de sporen vrij, Draden ontwikkelen
en schimmel groeit
Geslachtelijke voortplanting
De geslachtelijke leidt tot verandering in het DNA en stelt schimmels in
staat zich aan een veranderende omgeving aan te passen. Er zijn altijd die
stadia te onderscheiden.
Plasmogamie, karyogamie en meiose
Plasmogamie: het samensmelten van twee protoplasten brengt twee
( verschillende) compatibele haploïde kernen bij elkaar