Z | AVV | Voorbereiding C1: Onderzoeksopzet | Kennisclips
Voor empirisch onderzoek kunnen verschillende onderzoeksdesigns gebruikt
worden. Het kiezen van een design voor je onderzoek doe je op basis van je
exacte probleemstelling, je conceptuele model, maar ook praktische zaken zoals
het budget en de tijd die beschikbaar zijn voor je studie. Er is bijna altijd een
bepaald design het meest passend, maar dat zegt niet dat een ander design in
dat geval onjuist is. Het is belangrijk de verschillen tussen de designs maar ook
de voor- en de nadelen van de designs goed te kennen om een beargumenteerde
keuze te maken wanneer je een design voor je onderzoek kiest.
Hieronder staat een overzicht van de verschillende soorten kwantitatieve
onderzoeksdesigns die deze week besproken worden.
,Onderzoeksontwerp (design)
Hoe ga je je onderzoek uitvoeren om antwoord te geven op de onderzoeksvraag / probleemstelling? Dit
omvat:
De doelgroep
Conceptueel model:
- Afhankelijke variabele
- Onafhankelijke variabelen
- Relaties tussen alle variabelen.
Onderzoekshypotheses (H0 en Ha)
Onderzoeksopzet
Steekproef (type en omvang)
Meetmethode en meetinstrumenten
Analysemethoden
Hoe kies je je onderzoeksopzet?
Probleemstelling
Conceptueel model (voorbeeld hiernaast)
Praktische omstandigheden (budget & tijd)
Onderzoeksopzet is bijna nooit alleen op basis van voorkeur van onderzoeker
Één onderzoeksdesign is superieur door de combinatie van probleemstelling, conceptueel model en
praktische omstandigheden.
, EXPERIMENTEEL ONDERZOEK
Bij experimenteel onderzoek wordt er altijd een interventie getest. Dit kan
bijvoorbeeld een nieuw medicijn zijn. Je laat een groep mensen bewust iets doen
en dan vergelijk je ze met de controlegroep. Er is dus een opzettelijke
manipulatie van de deelnemers en er is contrast tussen groepen. De ene groep
krijgt bijvoorbeeld wel een medicijn en de andere niets of een ander medicijn.
Deelnemers worden toegewezen aan of de experimentele groep of de
controlegroep.
Wanneer deze toewijzing willekeurig of op basis van toeval gebeurt, dan spreken
we van een Randomized Controlled Trial.
Randomized Controlled Trial (RCT):
Wanneer je een RCT gaat uitvoeren, start je met een grote populatie waar je
onderzoek naar wil doen en waar je onderzoeksvraag over gaat. Daar trek je een
steekproef uit. Vervolgens nodig je deze mensen uit om mee te doen aan je
onderzoek. Echter zullen niet alle mensen mee willen of kunnen doen. Mensen
die wel ingaan op de uitnodiging ga je randomiseren (R) (=willekeurig verdelen
over de experimentele en controle groep).
Randomisatie: door mensen willekeurig aan de experimentele of controle groep
toe te wijzen, maak je de groepen zo veel mogelijk gelijk. Alle eigenschappen van
de deelnemers moeten gelijk zijn aan elkaar. Alleen de interventie die ze krijgen
verschilt systematisch tussen de experimentele en controle groep. Wanneer er
aan het einde van het experiment een verschil is in de uitkomst, weet je dat dit
komt door de interventie en dus niet door andere verschillen tussen de groepen.
Een RCT is het enige design waarmee je een causaal verband kunt aantonen. Het
is dus een heel krachtig design.
Drie eisen randomisatie:
1. De randomisatie moet eerlijk gaan. Alle deelnemers moeten een gelijke
kans hebben om in de experimentele of controlegroep te komen.
2. Er mag geen sprake zijn van fraude. De onderzoeker mag geen kennis
hebben over de precieze methode die wordt gebruikt om te randomiseren
of in welke groep deelnemers terecht komen. Zo voorkom je dat iemand
bewust/onbewust toch invloed uit kan oefenen op je randomisatie.
3. Er moeten voldoende deelnemers zijn. Bij heel weinig deelnemers is het
gelijk en random verdelen heel lastig.
, Vijf methodes voor het uitvoeren van randomisatie:
1. Simpele randomisatie = een muntje opgooien. Bij kop komt iemand in
de experimentele groep en bij munt komt iemand in de controlegroep.
2. Gestratificeerde randomisatie = wordt gebruikt als je bepaalde
subgroepen in de populatie wilt bekijken. Je deelt je deelnemers van
tevoren op in subgroepen. Vervolgens voer je binnen elke subgroep een
simpele randomisatie uit.
3. Gewogen randomisatie = gebruik je vooral als je naast je
hoofdprobleemstelling ook nog andere onderzoeksvragen hebt die je met
hetzelfde experiment wil onderzoeken. Je hebt hier vaak meer mensen
nodig in jet experimentele groep.
4. Blok randomisatie = je zorgt ervoor dat er evenveel mensen in de
experimentele als in de controlegroep terecht komen. Vooraf wordt dan
vastgelegd volgens welk schema mensen aan de experimentele of
controlegroep worden toegewezen.
5. Balancing/minimization = je begint met een simpele randomisatie, maar
zodra je merkt dat er bijvoorbeeld meer mensen in de experimentele groep
zitten, dan past de computer dat schema een heel klein beetje aan. De
eerstvolgende persoon heeft daarom meer kans om in de controle groep te
komen.
Wat geef je nu aan de controlegroep?; interventie controlegroep
Waarom controlegroep? Vergelijking onder dezelfde omstandigheden om andere
oorzaken/effecten uit te sluiten (causaliteit!)
- Bestaande behandeling
- Toedienen van een placebo
- Niets en/of actief volgen
Meten van de uitkomst
Het meten van de uitkomstmaat mag niet worden beïnvloed door de groep waar
de deelnemers inzaten. De metingen worden zo veel mogelijk blind worden
gedaan. Onderzoekers weten niet of mensen in de experimentele of
controlegroep zaten.
Je moet zeker weten dat het effect dat je ziet echt komt door de behandeling.
Hierbij zijn een paar zaken om rekening mee te houden:
- Standaard verbetering (natural history)
- Hawthorne effect (=een verbetering die we zien als mensen weten dat ze
meedoen aan onderzoek)
- Placebo effect
- Effect interventie
Voor empirisch onderzoek kunnen verschillende onderzoeksdesigns gebruikt
worden. Het kiezen van een design voor je onderzoek doe je op basis van je
exacte probleemstelling, je conceptuele model, maar ook praktische zaken zoals
het budget en de tijd die beschikbaar zijn voor je studie. Er is bijna altijd een
bepaald design het meest passend, maar dat zegt niet dat een ander design in
dat geval onjuist is. Het is belangrijk de verschillen tussen de designs maar ook
de voor- en de nadelen van de designs goed te kennen om een beargumenteerde
keuze te maken wanneer je een design voor je onderzoek kiest.
Hieronder staat een overzicht van de verschillende soorten kwantitatieve
onderzoeksdesigns die deze week besproken worden.
,Onderzoeksontwerp (design)
Hoe ga je je onderzoek uitvoeren om antwoord te geven op de onderzoeksvraag / probleemstelling? Dit
omvat:
De doelgroep
Conceptueel model:
- Afhankelijke variabele
- Onafhankelijke variabelen
- Relaties tussen alle variabelen.
Onderzoekshypotheses (H0 en Ha)
Onderzoeksopzet
Steekproef (type en omvang)
Meetmethode en meetinstrumenten
Analysemethoden
Hoe kies je je onderzoeksopzet?
Probleemstelling
Conceptueel model (voorbeeld hiernaast)
Praktische omstandigheden (budget & tijd)
Onderzoeksopzet is bijna nooit alleen op basis van voorkeur van onderzoeker
Één onderzoeksdesign is superieur door de combinatie van probleemstelling, conceptueel model en
praktische omstandigheden.
, EXPERIMENTEEL ONDERZOEK
Bij experimenteel onderzoek wordt er altijd een interventie getest. Dit kan
bijvoorbeeld een nieuw medicijn zijn. Je laat een groep mensen bewust iets doen
en dan vergelijk je ze met de controlegroep. Er is dus een opzettelijke
manipulatie van de deelnemers en er is contrast tussen groepen. De ene groep
krijgt bijvoorbeeld wel een medicijn en de andere niets of een ander medicijn.
Deelnemers worden toegewezen aan of de experimentele groep of de
controlegroep.
Wanneer deze toewijzing willekeurig of op basis van toeval gebeurt, dan spreken
we van een Randomized Controlled Trial.
Randomized Controlled Trial (RCT):
Wanneer je een RCT gaat uitvoeren, start je met een grote populatie waar je
onderzoek naar wil doen en waar je onderzoeksvraag over gaat. Daar trek je een
steekproef uit. Vervolgens nodig je deze mensen uit om mee te doen aan je
onderzoek. Echter zullen niet alle mensen mee willen of kunnen doen. Mensen
die wel ingaan op de uitnodiging ga je randomiseren (R) (=willekeurig verdelen
over de experimentele en controle groep).
Randomisatie: door mensen willekeurig aan de experimentele of controle groep
toe te wijzen, maak je de groepen zo veel mogelijk gelijk. Alle eigenschappen van
de deelnemers moeten gelijk zijn aan elkaar. Alleen de interventie die ze krijgen
verschilt systematisch tussen de experimentele en controle groep. Wanneer er
aan het einde van het experiment een verschil is in de uitkomst, weet je dat dit
komt door de interventie en dus niet door andere verschillen tussen de groepen.
Een RCT is het enige design waarmee je een causaal verband kunt aantonen. Het
is dus een heel krachtig design.
Drie eisen randomisatie:
1. De randomisatie moet eerlijk gaan. Alle deelnemers moeten een gelijke
kans hebben om in de experimentele of controlegroep te komen.
2. Er mag geen sprake zijn van fraude. De onderzoeker mag geen kennis
hebben over de precieze methode die wordt gebruikt om te randomiseren
of in welke groep deelnemers terecht komen. Zo voorkom je dat iemand
bewust/onbewust toch invloed uit kan oefenen op je randomisatie.
3. Er moeten voldoende deelnemers zijn. Bij heel weinig deelnemers is het
gelijk en random verdelen heel lastig.
, Vijf methodes voor het uitvoeren van randomisatie:
1. Simpele randomisatie = een muntje opgooien. Bij kop komt iemand in
de experimentele groep en bij munt komt iemand in de controlegroep.
2. Gestratificeerde randomisatie = wordt gebruikt als je bepaalde
subgroepen in de populatie wilt bekijken. Je deelt je deelnemers van
tevoren op in subgroepen. Vervolgens voer je binnen elke subgroep een
simpele randomisatie uit.
3. Gewogen randomisatie = gebruik je vooral als je naast je
hoofdprobleemstelling ook nog andere onderzoeksvragen hebt die je met
hetzelfde experiment wil onderzoeken. Je hebt hier vaak meer mensen
nodig in jet experimentele groep.
4. Blok randomisatie = je zorgt ervoor dat er evenveel mensen in de
experimentele als in de controlegroep terecht komen. Vooraf wordt dan
vastgelegd volgens welk schema mensen aan de experimentele of
controlegroep worden toegewezen.
5. Balancing/minimization = je begint met een simpele randomisatie, maar
zodra je merkt dat er bijvoorbeeld meer mensen in de experimentele groep
zitten, dan past de computer dat schema een heel klein beetje aan. De
eerstvolgende persoon heeft daarom meer kans om in de controle groep te
komen.
Wat geef je nu aan de controlegroep?; interventie controlegroep
Waarom controlegroep? Vergelijking onder dezelfde omstandigheden om andere
oorzaken/effecten uit te sluiten (causaliteit!)
- Bestaande behandeling
- Toedienen van een placebo
- Niets en/of actief volgen
Meten van de uitkomst
Het meten van de uitkomstmaat mag niet worden beïnvloed door de groep waar
de deelnemers inzaten. De metingen worden zo veel mogelijk blind worden
gedaan. Onderzoekers weten niet of mensen in de experimentele of
controlegroep zaten.
Je moet zeker weten dat het effect dat je ziet echt komt door de behandeling.
Hierbij zijn een paar zaken om rekening mee te houden:
- Standaard verbetering (natural history)
- Hawthorne effect (=een verbetering die we zien als mensen weten dat ze
meedoen aan onderzoek)
- Placebo effect
- Effect interventie