Economische groei en innovatie
● old idea: innovatie verhoogt de productiviteit → dit zorgt voor bevolkingsgroei. maar
grotere bevolking zorgt voor afname productiviteit
● moderne idee: innovatie verhoogt salaris en productiviteit → opportuniteitskosten
van krijgen kinderen hoger → verlaagt bevolkingsgroei
● modern growth theory Joseph Schumpeter: ontwikkeling en verspreiding van
nieuwe technologieën door winst zoekende ondernemers stimuleert economische
vooruitgang
● modern theory of economic growth Paul Romer: duurzame groei komt voort uit
concurrentie tussen bedrijven, winst verhogen door nieuwe producten ontwikkelen
The study of innovation
● 19e eeuw: economische vooruitgang, maar geen aandacht bijdrage technologische
veranderingen
● Schumpeter: belang nieuwe producten als stimulans voor economische groei
● Karl Marx: innovatie kan geassocieerd worden met golven economische groei: basis
lange golftheorie van innovatie
● Utterback and Abernathy: elke industriele sector ligt een radicale productinnovatie
aan ten grondslag
● na wo2: steeds meer interesse innovatie
● Neoklassieke economie: biedt een groeitheorie die verklaart hoe besparingen,
investeringen en groei reageren op bevolkingsgroei en technologische veranderingen
Kernidee: technologische verandering beïnvloedt economische groei, maar klassieke
(neoclassical) economie legt niet goed uit hoe technologie en wetenschap dit doen.
Ontwikkeling van inzichten
● oz laat zien dat bedrijven zich verschillend gedragen
● ontstond focus op hoe bedrijven kennis genereren, toepassen en
commercialiseren
● innovatie hangt sterk af van hoe bedrijven hun middelen gebruiken
● Joseph Schumpeter: innovatie wordt bepaald door hoe bedrijven hun middelen
door de tijd heen beheren en hoe ze capaciteiten ontwikkelen → basis
innovatieprestaties
● innovatie wordt beinvloed door: economie, organisatiegedrag, strategie &
management, bedrijven opereren niet in isolatie: ze concurreren, handelen en
werken samen
Twee tradities in innovatiestudies (volgens Benoit Godin)
1. VS (eerste traditie): focus op technologie als motor achter indus. uitvindingen
2. EU (2e traditie jaren 70): focus op hele innovatieproces (van uitvinding tot
verspreiding), belang van R&D, aandacht beleid en ec. groei, idee dat markten falen
→ gebruikers moeten betrokken worden bij innovatie
Moderne visie (21e eeuw) Schumpeteriaans → bedrijven worden innovatief door R&D en
kennisgebruik, succes hangt af van: kennis verwerven en toepassen. grote uitdaging:
behoeften van klanten ontdekken en vervullen.
,Christensen en Hamel & Prahalad —> het te veel luisteren naar klanten kan innovatie juist
remmen en op lange termijn schadelijk zijn.
● sustaining innovations: verbetering van bestaande producten + gericht op
klantbehoeften
● disruptive innovations: bieden verbeteringen die groter zijn dan gevraagd →
nieuwe markten ontstaan. product biedt lange tijd minder functies, maar uiteindelijk
omslagpunt met aanzienlijke verbeteringen.
Innovatie in organisatorische context
● 19e eeuw: kleine familiebedrijven met 1 activiteit
● geleidelijk → grote gediversifieerde bedrijven
● 20e eeuw: focus op nieuwe markten en productontwikkeling
● innovatie kan niet los gezien worden van kennis en vaardigheden
uitvinding = nieuwe ontdekking of manier van doen
innovatie = het proces van uitvinding → product
traditioneel: ondernemer = individu met talent dat kansen ziet
moderne visie: ondernemerschap = kansen nastreven buiten je huidige middelen
kern: drang om verandering te creëren staat centraal
Design (Hargadon en Douglas) → het ordenen van concrete details die een nieuw idee
vormgeven.
- ontwerp een toegepaste activiteit binnen R&D, in mode belangrijkste component
Innovation vs Invention
Uitvinding = het maken van een nieuw idee, product of proces. zet intellectuele ideeën om
in een tastbaar artefact. technisch idee
Innovatie = een compleet proces. niet alleen idee of uitvinding maar: ideeontwikkeling,
technische ontwikkeling en marktintroductie. commerciële toepassing
Innovatie is dus een activiteit (generatie, ontwikkeling, implementatie), een object
(product/dienst/model) en een element van nieuwigheid (verbeterd, proces)
! Let op: nieuw is subjectief in termen van innovatie. maakt niet uit of een innovatie objectief
nieuw is. En de meeste innovaties (40-90%) mislukken en zijn niet commercieel succesvol,
dit maakt het geen uitvinding. een innovatie is er een als het van tekentafel naar de markt
komt, al dan niet succesvol.
Mate van innovaties
● incremental: kleine verbeteringen (iets beter doen)
● radicale innovatie: grote veranderingen, kan bestaande markten verstoren
● disruptive innovatie: verandert de spelregels van een markt → leidt tot creatieve
destruction (Schrumpeter)
Typen innovatie
● product innovatie = nieuw of verbeterd product
● proces innovatie = nieuw productieproces (bv efficientere productie)
● organisatorische innovatie = nieuwe structuren of werkwijzen binnen een bedrijf
● managementinnovatie = nieuwe managementmethodes (TQM, BPR)
, ● product-innovatie = verbeteringen in productieplanning, kwaliteit, JIT, MRP
● service-/marketinginnovatie = nieuwe verkoop- of dienstmodellen (direct marketing
Delbridge and Mariotti → succesvolle innovators:
● zoeken actief buiten hun eigen kennisgebied
● combineren kennis uit verschillende sectoren
● werken samen met ongewone partners
● stimuleren creatief/lateraal denken
Wetenschap = systematische kennis
Technologie = toepassing van kennis in producten/processen
innovatie in werkelijkheid een collectief organisatorisch proces (niet geniaal 1 pers uit lab)
Modellen van innovatie
The Social Deterministic School
Innovatie wordt bepaald door externe factoren: markt, maatschappelijke trends,
gebruikersbehoeften. bedrijven hebben dit niet volledig in de hand.
● Absorptievermogen: vermogen om externe kennis te herkennen, begrijpen en toe
te passen. (idee: innovatie komt van buiten en bedrijven reageren erop)
The Individual school (Joseph Schumpeter)
Innovatie komt voort uit individuen en bedrijven zelf. focus op: ondernemerschap, interne
creativiteit en doelbewuste innovatieprocessen. bedrijven: beheren onzekerheid, verdelen
middelen en ontwikkelen en commercialiseren ideeën. (innovatie komt van binnenuit)
resource based view = duurzaam voordeel komt van interne middelen en capaciteiten
VRIN/VRIO (valuleable, rare, inimitable and non substitutable)
Serendipity = innovaties ontstaan door toeval. maar komt zelden voor en vereist altijd
kennis om het te herkennen.
Technology driven model → (individual school) = gaat ervanuit dan wetenschappers
onverwachte ontdekkingen doen, technologen deze toepassen om productideeën te
ontwikkelen en ingenieurs en ontwerpers er prototypes van maken. markt dus passieve
ontvanger, aannames:
● er zal markt zijn voor nieuwe producten en integreren nieuwe technologieen
● orga zal capaciteiten hebben om nieuwe resulterende producten te produceren en op
markt brengen
Market pull/Customer driven model (deterministic school) → ‘70 → erkent markt als
invloedrijk in innovatieproces, nieuwe ideeen die komen van contact met klanten. aannames:
● marktattractiviteit en toekomstige klantbehoeften betrouwbaar kunnen worden
geïdentificeerd
● klantbehoeften opgelost worden door nieuwe technologische oplossingen
Basis Lineair Model vd fasen van innovatie:
Definition of Search Fields → Search for ideas → Idea Evaluation → Idea Implementation →
Product Launch
, Jaren 80: lineaire proces in twijfel getrokken. innovatie vooral door interactie tussen
wetenschappelijke basis, technologische ontwikkeling en de behoeften vd markt
Simultaneous coupling model: bovenste 2 verklaren alleen waar de initietele stimulus
vandaan kwam, niet hoe innovaties plaatsvinden. Deze stelt dat de simultane koppeling van
kennis binnen alle 3 de functies innovatie zal bevorderen. Het beginpunt is niet van tevoren
bekend.
Architectural innovation (Henderson en Clark)
1. Radical Innovation: zowel component- als architectuur kennis revolutioneert
2. Incremental Innovation: voortbouwt op bestaande component- en architectuur
kennis
3. Modular innovation: vereist nieuwe kennis voor 1 of meer componenten, maar
architectuur kennis blijft ongewijzigd (bv notitieboekje)
4. Architectural innovation: beïnvloedt de koppeling van componenten, maar niet de
kennis van afzonderlijke componenten. bv tablet
Interactive Model
● combineert technology push en market pull. innovatie ontstaat tussen:
marktbehoeften, wetenschappelijke/technologische kennis en capaciteiten vd
organisatie.
● het proces lijkt lineair, maar is het niet. bevat feedback loops. innovatie kan op
meerdere startpunten beginnen
● belangrijkste functies: R&D (onderzoek en ontwerp), productie, marketing en verkoop
Innovation Life Cycle and dominant designs (Abernathy & Utterback) Innovatie verloopt
in 3 fasen:
1. Fluid fase: veel productinnovatie en experimenten en variatie, veel onzekerheid,
veel verschillende ontwerpen, kleine bedrijven/startups, geen dominant design
2. Transitional fase: dominant design ontstaat, meer standaardisatie, markt groeit,
concurrentie neemt toe, ontstaan van een dominant ontwerp, meer process innovatie
en productiecapaciteit
3. Specific fase: focus op procesinnovatie (efficiënter) kostenverlaging en
standaardisatie, commoditization, oligopolie, gespecialiseerde massaproductie,
vooral incrementele innovatie.
Innovatie stopt niet bij productlancering. Concurrentie zorgt voor verdere ontwikkeling.
Productinnovatie + procesinnovatie + concurrentie + organisatie zijn sterk verbonden.
Innovation = een information-creation process dat voorkomt (arises) out of social interaction
Open innovation (Chesbrough): er is een verschuiving van een closed system (innovatie
intern binnen bedrijf) naar open system met meerdere spelers in de supply chain. Punten:
● gebaseerd op de knowledge based economy
● gebruik van goedkope en directe informatiestromen legt meer nadruk op: connecties
en relaties tussen bedrijven