Organisatie
waarin mensen samenwerken om doeleinden te realiseren.
Onderneming
organisatie met winst als doel op zich. Verschil met organisatie: zijn non-profit
Framework organisatie-identiteit:
visie -> missie (-> BHAG) -> organisatiedoelstellingen
Visie: waar staan we voor? (kernwaarden) Kijk op de wereld. Kan een idee, beeld of verwachting
over de toekomst bevatten (waar beweegt de maatschappij/mens/markt zich naartoe?). Waar
staan we voor obv buitenwereld, trends en ontwikkelingen. Niet over product/dienst zelf.
Verwachting over de buitenwereld buiten het bedrijf zelf.
- Maatschappijbeeld (wereldbeeld): waar beweegt maatschappij/wereld zich
naartoe?
- Mensbeeld: wat betekent het om mens te zijn? Kijk op rol, functie of doel van
mensen.
- Marktbeeld: de markt waarin organisatie actief is en de werking van deze markten.
Aanbod producten, daarbij gebruikte technologieën en/of
concurrentieverhoudingen.
Visies zijn niet objectief en geen vaststaand feit, vertegenwoordigen bij voorkeur een nieuwe
opvatting/overtuiging/standpunt en gaat niet over de taak of opdracht die de organisatie stelt.
Visie is kader en context voor missie.
Missie: het allerbelangrijkste doeleind. (kernopdracht) Vloeit voort uit visie.
Boodschap/opdracht/taak van de onderneming/bestaansreden bedrijf. Eeuwigheidswaarde:
doel wordt niet bereikt. ‘why do you get out of bed in the morning… and why should anyone
care?’. Niet zozeer op product. Moet mensen inspireren en motiveren om zich voor die missie in
te zetten en geeft richting aan activiteiten organisatie. Niet meetbaar en tijdsgebonden. Geeft
aan welke waarde organisatie toevoegt en werkzaamheden.
Organisatiedoelstellingen:
omzetting missie in specifieke- & meetbare doelstellingen. Wat wil organisatie in bepaalde
periode concreet bereiken? ‘gewone’: 1-3 jaar, BHAG: 5-10 jaar (moonshot). Hoe minder
doelstellingen hoe beter (3-5)
Organisatiewaarden (kernwaarden) & principes: hoe wordt binnen de organisatie
samengewerkt en hoe gebeurt dat met externe belanghebbenden? Richting aan stijl, toon en
hoe we met elkaar omgaan. Belangrijk om ook juist op te schrijven wat je NIET meer gaat doen.
Normen & waarden: normen zijn concrete richtlijnen voor handelen/opvattingen over hoe men
zich moet gedragen. Is de doorvertaling van een waarde naar een richtlijn. Waarden: idealen en
motieven die ten grondslag liggen aan de normen. Zijn opvattingen over wat wenselijk is.
,Organisatiedoelstellingen:
PPP-model: doelstellingen zijn driedelig > people, planit, profit (driewegbenadering). Bij dit
model moet organisatie op 3 niveaus impact hebben en waarde creëren ipv op één.
Profit: winst, people: de mensen, planet: grotere sociaal-maatschappelijke belangen. Tussen de
3 geen harmonie? Langetermijnvoortbestaan organisatie komt in gevaar.
Diversificatie van de omzet (doel):
grotere diversiteit aan producten. Is geen garantie op succes.
SMART-geformuleerde doelstellingen:
criteria om te testen of doelstellingen goed zijn geformuleerd.
- Specifiek: duidelijk en concreet omschreven. Waarneembare actie, gedrag of
resultaat.
- Meetbaar: wat (hoeveel) willen we bereiken?
- Acceptabel/aanvaardbaar: in overeenstemming met beleid en doelstellingen van
organisatie?
- Realistisch: is het haalbaar? Relevant: haalbare en relevante doelstelling.
- Tijdsgebonden: wanneer moet doel bereikt zijn? Hoe concreter (einddatum), hoe
beter.
- BHAG: niet realistisch maar Audacious.
Conclusie:
Organisatievisie & organisatiewaarden: ‘waar staan we voor?’
Organisatiemissie en organisatiedoelstellingen: ‘waar gaan we voor?’
Doelen v/s strategieën:
een doel omschrijft wat je wilt bereiken, een strategie beschrijft op hoofdlijnen hoe je dat doel
denkt te gaan bereiken.
- Tactiek/operationaliseren van de strategie: de uitwerking van de strategische keuzes doe
je hierin. Maakt tactische keuzes. Zonder tactiek en uitvoering gebeurt er niks met de
strategie.
- divisie- & marketingdoelstellingen moeten te allen tijde rechtstreeks afgeleid zijn van de
organisatiedoelstellingen. Moeten ook in lijn zijn met de doelstellingen van andere
afdelingen. Hiërarchie van doelstellingen: organisatie -> divisie -> marketing ->
marcomdoelstellingen.
Cascadering van doelen en strategieën:
doelen en strategieën vloeien in elkaar over. Cascaderen zorgt ervoor dat wat voor de één de
strategie is, voor het niveau eronder het doel wordt.
, Marketing:
menselijke activiteit gericht op vervullen van behoeften en verlangens, met als gevolg een
beloning in de vorm van vraag naar de producten. Behoeften van afnemers als uitgangspunt.
Richt op afzet/omzet niet op winst (dat bij organisatiedoelstelling)
Marketingmix:
variabelen die gebruikt kunnen worden bij het opstellen van een marketingplan.
- Product: kwaliteit, vormgeving, verpakking, merknaam, accessoires, service.
- Plaats: kanaalkeuze, distributiespreiding, voorraadbeheer, transportmethodiek.
- Prijs: basisprijsstelling, handelsmarges, kortingen, betalingscondities.
- Promotie: communicatie, reclame, persoonlijke verkoop, sales promotion, sponsoring,
public relations.
- Personeel: kwaliteit personeel, essentieel bij beleving productaanbod. Doorslaggevende
factor voor klanttevredenheid.
- Proces: Bij diensten meer sprake van een proces, dat anders loopt en ervaren wordt vanaf
het moment van aankoop tot en met het gebruik bij diensten dan bij goederen. Vaak sprake
van samenwerking tussen producent en gebruiker van een dienst (coproductie). Gebruiker
= prosumer. Risico van aanschaf hoger dan bij product, o.a. doordat kwaliteit niet constant
is.
Brand equity:
vermogen of kapitaal dat het merk vertegenwoordigt > waarde van het merk.
- Executional properties; de uitvoerende elementen van merkidentiteit zoals merknaam,
logo en verpakkingsontwerp. Afhankelijk van sterkte of kracht van elk element wordt
waarde van merk bepaald.
Gepercipieerde waarde:
hoe kijkt een klant naar een product. Verhogen. Kan door productkwaliteit te verhogen of prijs te
verhogen (de prijs als de gepercipieerde indicator van kwaliteit) > Waarde strategie.
Aanbod schept vraag:
maximaliseren van de mogelijkheid om het product aan te scha`en. vergroot zichtbaarheid en
daarmee de kans op ‘top of mind’.
De 3 ‘moments of truth’:
- Zero Moment of Truth: moment waarop mensen zich online gaan oriënteren. De eerste
merken vallen af.
- Online presence: hoe je verschijnt, gemak waarmee ze info over je kunnen vinden, gemak
waarmee je het merk en producten online kunt ervaren en kopen & wat anderen online over
je zeggen. Winnen op het verkooppunt. (First moment of truth)
- Second Moment of Truth: winnen in het gebruik van het product. User experience.