Literatuur vrienden en vrije tijd
Week 1
Hoorcollege 1
‘The effects of physical activity interventions on psychosocial outcomes in adolescents’
Lichamelijke activiteit wordt al lange tijd gekoppeld aan positieve effecten bij jongeren, zoals
betere gezondheid en minder chronische ziektes. Later is ook onderzocht hoe sport en
beweging invloed heeft op psychosociale factoren, zoals zelfbeeld, schoolprestaties en
mentale gezondheid.
Er zijn verschillende verklaringen waarom fysieke activiteit psychosociale effecten heeft:
1. Fysiologisch (lichaam) = meer endorfine, betere hersenfunctie, minder stress
2. Sociaal-leren (via sport) = jongeren leren samenwerken, regels volgen, zelfcontrole
3. Sociaal & identiteit = sport kan zorgen voor:
- Erbij horen (sociale inclusie)
- Identiteit en groepsgevoel
- Rolmodellen (coaches, spelers)
4. Zelfconcept = succeservaringen zorgen voor beter zelfbeeld
Eerdere studies:
Weinig onderzoek naar externaliserend gedrag en gemengde resultaten voor (volwassenen):
- Internaliserende problemen
- Zelfbeeld
- Schoolprestaties
Dit onderzoek doet 4 meta-analyses naar effect van beweging bij adolescenten op:
1. Externaliserende problemen (agressie, delinquentie)
- Sport vermindert agressie en delinquent gedrag
- Werkt beter als controlegroep ook iets anders doet (bijv. therapie). Geen effect
wanneer controlegroep niets doet (bijv. doordat jongeren zonder sport voelen zich
buitengesloten)
- Geen invloed van type sport, duur of geslacht
2. Internaliserende problemen
- Sport vermindert angst en depressie
- Sterker effect bij: meisjes en jongeren met psychische problemen
- Zwakker effect in strengere studies
3. Zelfconcept
- Sport verbetert zelfbeeld en zelfvertrouwen
- Oefening (fitness) werkt beter dan sport; want oefening is focus op persoonlijke
vooruitgang. Sport leidt tot competitie en dit kan ook negatief zijn (verlies)
- Andere factoren weinig invloed
4. Schoolprestaties
- Grootste samenhang/effect
- Sport verbetert schoolprestaties
- Effect sterker bij cijfers (grades) dan bij tests – sport beïnvloedt vooral motivatie
en gedrag in nklasa, minder effect op IQ/cognitie
,2
Resultaten:
Allemaal klein tot middelgroot effect en alle effecten zijn positief. Interventie-opzet
(duur/frequentie) is minder belangrijk dan verwacht.
Hoofdstuk 1: peer relations, past, present and promise
Er zijn 2 velden die zich bezighouden met het gebied en in de loop van de jaren zijn
samengekomen:
Verandering in focus laatste tijd. Niet alleen relaties met families onderzoeken, maar ook
leeftijdgenoten.
Relaties met familieleden: niet gekozen en verticaal, er is autoriteit.
Relaties met peers: gekozen en horizontaal, gelijkheid.
3 thema’s in peerrelaties: features, effects and processes
1. Kenmerken/features: hoe zien interacties tussen leeftijdgenoten eruit? Dus wat
brengen kinderen mee in relaties.
Daarbinnen speelt cultuur een rol.
Macro: individualistisch vs collectivistisch en westers vs niet-weseters
Micro: school, peers, buurt, sport etc.
,3
2. Effecten: wat is er nou vooraf gegaan aan die interacties, wat zijn de consequenties?
Wat zijn de gevolgen van peerervaringen? causaal perspectief of levensloop
perspectief
Er is relatief weinig aandacht voor leeftijdseffecten. Redenen:
1. Onderzoek naar leeftijdseffecten vraagt om normatief kader (wat is normale
ontwikkeling voor interacties tussen leeftijdsgenoten?). als je de verandering over
leeftijd wil beschrijven moet je weten wat normaal is. Is ingewikkeld.
2. Er zijn nogal individuele verschillen in normale ontwikkelingstrajecten.
3. Proces: welke mechanismen zijn verantwoordelijk voor/verklaren deze effecten?
Peerrelaties kunnen op verschillende niveaus worden bekeken: individu, dyade, groep
en cultuur/samenleving.
3 grote theoretische stromingen:
1. Gedrag georiënteerd: aard van interactie. Beïnvloeding van elkaar. Beloning en straf
sturen gedrag. Kinderen imiteren elkaar.
2. Constructivistisch: Piaget enzo, interacties met anderen heeft gevolg voortdurend
botsen. Peers helpen bij cognitieve ontwikkeling.
, 4
3. Ethologisch: voordelen en risico’s bij interacties. Gedrag heeft evolutionaire functies.
Dominanties binnen groepen, primaire mechanismes.
3 gedragsrichtingen in peerrelaties:
Naar anderen toe bewegen
Tegen anderen ingaan (agressie, conflict, pesten)
Van anderen weg bewegen (terugtrekking, isolatie)
Verandering van grote abstracte theorieën (piaget, vygotsky, freud) naar eclectische
benaderingen. Redenen:
- Abstracte theorieën moeilijk vertaalbaar naar concrete hypothese en praktijk
- Verandering van labonderzoek naar reallife experiment
- Er zijn veel verschillende processen werkzaam tijdens peerinteracties en er is geen
overkoepelende theorie die alles omvat
Wensen toekomst
1. Complexiteit analyses vergroten – meerdere niveaus combineren
a. Multilevel modellen – er zijn wederzijdse invloeden tussen individuele dyadische
en groepskenmerken
2. Meer onderzoek contextuele variatie
a. Culturele verschillen
b. Hoe speelt cultuur een rol, hoe draagt het bij aan ontwikkeling
c. Culturele kenmerken opnemen in het model
3. Meer onderzoek naar relaties tussen systemen
a. Invloed tussen gezinssystemen en peersystemen
b. Compensatie, bijv. slecht op school goed thuisbeschermend, of andersom
4. Meer onderzoek naar psychofysiologische en neurologische processen
5. Meer inzicht in hoofd- en bijzaken
Hoofdstuk 13
Prosociaal gedrag = handelingen die anderen helpen. Het richt zich op:
1. Instrumentele behoefte iemand kan iets niet uitvoeren
2. Materiële behoefte iemand mist iets
3. Emotionele behoefte iemand is verdrietig
Daarnaast: samenwerken samen doel bereiken.
Intenties/motivaties achter prosociaal gedrag:
1. Oprechte zorg (altruïsme)
- Gebaseerd op empathie
- Al zichtbaar bij jonge kinderen (moderne ontwikkeling)
2. Sociale motivatie
- Erbij willen horen, goedkeurig willen krijgen
3. Strategische motivatie
- Eigen voordele behalen
Dit kan je meten:
Bij jonge kinderen via gedrag en experimenten
Bij oudere kinderen via vragen over doelen (iemand helpen, relatie behouden, dominantie,
vermijden) en redenen