WEEK 1
Maternal sensitivity to infant distress and nondistress as predictors of infant-mother
attachment security
Centrale vraag: is het vooral sensitiviteit van moeders voor het huilen en de stress van hun
baby, en niet zozeer hun sensitiviteit tijdens rustige of speelse momenten, die voorspelt of een
kind later een veilige gehechtheid ontwikkelt?
Bowlbys conceptualisering van gehechtheid als een biobehavorial veiligheidsregulerend
systeem: hechtingsrelatie wordt vooral geactiveerd in situaties van dreiging of stress.
Vraag is dus of er onderscheid kan worden gemaakt tussen:
Sensitiviteit wanneer het kind van streek is (distress)
Sensitiviteit wanneer het kind niet van streek is (nondistress)
De auteurs wilden onderzoeken:
In hoeverre sensitiviteit voor stress en sensitiviteit voor niet-stress samenhangen.
Of beide vormen van sensitiviteit voorspellers zijn van veilige gehechtheid.
Of dit verschilt naar leeftijd (6 maanden versus 15 maanden).
Of moeilijk temperament van het kind (bijv. prikkelbaarheid) deze verbanden
beïnvloedt.
Belangrijkste resultaten
1. Relatie tussen sensitiviteit voor stress en niet-stress
Deze 2 vormen van sensitiviteit hingen sterk samen, maar waren niet hetzelfde
Moeders konden bijvoorbeeld gevoelig zijn in spel, maar minder goed reageren
op huilen (of andersom)
2. Sensitiviteit op 6 maanden voorspelt hechting
Sensitiviteit voor stress op 6 maanden:
- Significante voorspeller van een veilige gehechtheid op 15 maanden
- Hoe gevoeliger de moeder reageerde op stress, hoe groter de kans op veilige
hechting
Sensitiviteit voor niet-stress op 6 maanden:
- Geen significante voorspeller
Conclusie: het zijn vooral de reacties op huilen en ongemak in het eerste levensjaar die
ertoe doen.
3. Sensitiviteit op 15 maanden voorspelt hechting niet
Noch voor stress, noch voor niet-stress
Mogelijke verklaringen:
- Hechting is op die leeftijd al grotendeels gevormd
- Stressreacties van peuters zijn complexer
- Stress kan op 15 maanden al een gevolg zijn van de bestaande hechtingsrelatie
4. Temperament van het kind
Moeilijk temperament:
- Hing niet samen met moederlijke sensitiviteit
- Voorspelde geen onveilige hechting
, Suggereert dat ouderlijk gedrag belangrijker is dan het temperament van het kind
in de ontwikkeling van hechting
A self-determination theory perspective on parenting
Kernidee: ouders bevorderen een gezonde ontwikkeling wanneer zij de autonomie van hun
kind ondersteunen in plaats van het kind psychologisch te controleren. Dit geldt vanaf de
babytijd tot en met de adolescentie.
Zelfdeterminatietheorie
Alle mensen hebben 3 aangeboren psychologische basisbehoeften:
1. Autonomie het gevoel dat je gedrag vrijwillig en eigen gekozen is
2. Competentie het gevoel dat je iets kunt en aankunt
3. Verbondenheid je geaccepteerd en gesteund voelen door anderen
Voor opvoeding staat vooral autonomie centraal.
Let op: autonomie is niet hetzelfde als onafhankelijkheid. Autonomie gaat over vrijwillig
instemmen met regels en waarden, niet over alles zelf doen.
Autonomie-ondersteunend ouderschap
Betekent dat ouders actief het vermogen van het kind ondersteunen om:
- Zelf initiatief te nemen
- Keuzes te maken
- Regels en waarden te internaliseren (eigen maken)
Het doel is zelfregulatie, niet alleen gehoorzaamheid.
4 kerncomponenten van ouders:
1. Uitleg en redenen geven bij regels en verzoeken
2. Gevoelens en perspectief van het kind erkennen
3. Keuzes bieden en initiatief aanmoedigen
4. Druk en dwang minimaliseren (geen straf, schuld, machtsgebruik)
Autonomie-ondersteuning gaat samen met structuur en betrokkenheid.
3 studies:
1. Observatiestudies (baby’s en peuters)
Autonomie-ondersteunende moeders:
- Laten baby’s hun activiteit voortzetten
- Volgen het tempo en interesse van het kind
Resultaten:
- Meer intrinsieke motivatie
- Meer volharding en taakgericht gedrag
- Betere internalisatie van regels bij peuters
2. Interviewstudies (schoolleeftijd)
Autonomie-ondersteunende ouders kinderen met:
- Betere schoolprestaties
- Betere sociale aanpassing
- Minder probleemgedrag
- Meer autonomie motivatie
3. Zelfrapportages van kinderen en adolescenten
, Kinderen met ouders als autonomie-ondersteunend:
- Voelen zich competenter
- Reguleren zichzelf beter
- Presteren beter op school
- Hebben minder psychosociale problemen
Waardoor worden ouders controlling of autonomie-ondersteunend?
Psychologische controle:
Druk en stress bij ouders
Angst, zorgen over de toekomst
Gevoel van bedreiging
Ego-betrokkenheid: eigenwaarde hangt af van prestaties van het kind
Emotionele uitputting
Autonomie-ondersteunend (gedragscontrole):
Cruciale factor: vertrouwen in natuurlijke ontwikkeling van het kind!
Ouders die geloven dat:
Kinderen van nature willen leren
Ontwikkeling vanzelf op gang komt
Fouten onderdeel zijn van groei
Hebben:
Minder stress
Flexibeler verwachtingen
Meer autonomie-ondersteunend gedrag
Beter aangepast welzijn bij henzelf en hun kind
Aldus: Autonomie-ondersteunend ouderschap – met structuur, betrokkenheid en respect voor
het perspectief van het kind – bevordert motivatie, internalisatie, welzijn en schoolse
aanpassing van baby tot adolescent. Psychologische controle ondermijnt deze ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
Bowlby: gehechtheidstheorie
Gehechtheid = duurzame affectieve band tussen kind en verzorger, gericht op:
Bescherming
Veiligheid
Nabijheid bij stress, angst of vermoeidheid
Bowlby veronderstelde dat het gedrag waarmee het kind nabijheid van de moeder zoekt
aangeboren is.
Het gehechtheidssysteem
Is een aangeboren motivationeel systeem. Wordt geactiveerd bij:
Dreiging
Pijn
Scheiding
Vermoeidheid
Gedragingen:
Huilen, volgen, vastklampen, zoeken van nabijheid en lachen
Doel: nabijheid herstellen
Veilige haven en veilige basis
, 2 kernfuncties:
1. Veilige haven
- Troost bij stress
- Regulatie van emoties
2. Veilige basis
- Vanuit veiligheid exploreren
- Zelfstandig de wereld verkennen
Intern werkmodel
Kinderen ontwikkelen mentale representaties van:
Zichzelf: ben ik de moeite waard?
Anderen: zijn anderen betrouwbaar?
Deze modellen:
Ontstaan uit vroege ervaringen
Sturen latere relaties aan
Zijn relatief stabiel, maar veranderbaar
Ainsworths
Sensitiviteitshypothese: sensitiviteit grotere kans op veilige hechting
Door middel van strange situation procedure toetsen.
Volgens Ainsworth 4 categorieën:
1. Veilige hechting (Type B)
- Meest optimaal
2. Onveilig-vermijdende hechting (Type A)
- Kind toont weinig stress, vermijdt ouder bij terugkeer, emoties worden
onderdrukt
- Vaak bij afwijzende of afstandelijke opvoeding
3. Onveilig-ambivalente hechting (Type C)
- Zeer sterke stress, moeilijk te troosten zoekt en verzet zich tegen ouder
- Vaak bij inconsistente opvoeding
4. Onveilig gedesorganiseerd (Type D)
- Tegenstrijdig en chaotisch gedrag
- Geen duidelijke strategie
- Vaak gelinkt aan mishandeling of ernstige onveiligheid
Nature and nurturing: parenting in the context of child temperament
Kernidee:
De ontwikkeling van kinderen verloopt transactioneel:
Ouders beïnvloeden het temperament van het kind
Het temperament van het kind beïnvloedt het gedrag van de ouders
Daarnaast kunnen effecten ook interactioneel zijn:
De impact van opvoeding hangt af van het temperament van het kind
Belangrijke begrippen