Hoofdstuk 1 Geschiedenis en ontwikkeling
1.2 1951-1965: De oprichtingsfase – ‘Nooit meer oorlog’
In 1951 is de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht met het VERDRAG VAN PARIJS. De
zes oprichtende landen waren: Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, (West-)Duitsland en Italië. De
VOORNAAMSTE DRIJFVEER achter de oprichting was om een einde te maken aan de steeds terugkerende
oorlogen op het Europese continent. De NOORD-ATLANTISCHE VERDRAGSORGANISATIE (NAVO) was gericht op
het idee van collectieve veiligheid en wederzijdse (militaire) samenwerking.
1.2.1 De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
Kolen en staal waren cruciaal voor de PRODUCTIE van oorlogsmateriaal. De EGKS had dan ook als doel om
de SOEVEREINITEIT van de deelnemende landen op dit terrein TE BEPERKEN, om zo te voorkomen dat landen
zich opnieuw zouden kunnen herbewapenen voor een derde oorlog. Naast het voorkomen van oorlog was
een belangrijk doel van de EGKS het vergroten van de ECONOMISCHE GROEI EN WERKGELEGENHEID om zo de
levensstandaarden in de aangesloten lidstaten te verbeteren. In 1954 werd de WEST-EUROPESE UNIE (WEU)
opgericht als minder vergaand alternatief voor de defensiegemeenschap. Vanaf 1970 zou er ook op meer
informele wijze overlegd worden over het EXTERNE BELEID in het kader van de Europese Politieke
Samenwerking.
1.2.2 Naar drie gemeenschappen
In 1957 werd het VERDRAG VAN ROME opgericht waarmee de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) ontstonden. De
EEG beoogde het instellen van een GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT, waarbij belemmeringen in de vorm van
handelstarieven en quota’s zouden worden afgeschaft. Landen zouden ook SOEVEREINITEIT moeten afstaan
aan de EEG op beleidsterreinen als mededinging, transport en met name landbouw. In de beginjaren was
de EEG een succes en droeg ze bij aan een sterke STIJGING van de economische groei in de zes aangesloten
lidstaten.
1.3 1965-1985: Eurosclerose
In de jaren zestig gebeurde er op POLITIEK niveau nog weinig.
1.3.1 De lege stoel crisis en het Akkoord van Luxemburg (1965-1966): inertie
In 1965 vond de ‘LEGE STOEL-CRISIS’ plaats. Gedurende een periode van zeven maanden weigerde Frankrijk
om nog langer aanwezig te zijn bij bijeenkomsten in de Raad. Frankrijk was het namelijk niet eens met de
meer supranationale invulling van het landbouwbeleid en de aanstaande intrede van het stemmen binnen
de Raad met GEKWALIFICEERDE MEERDERHEID in plaats van unanimiteit. Lidstaten kunnen als gevolg van de
gekwalificeerde meerderheid niet langer met een VETO onwelgevallige wetgeving tegenhouden. De Franse
afwezigheid zorgde ervoor dat alles stil kwam te liggen. Dit werd doorbroken door het AKKOORD VAN
LUXEMBURG (29 januari 1966). Dit akkoord was eigenlijk niets minder dan een ‘AGREEMENT TO DISAGREE’. In dit
akkoord werd vastgesteld dat er altijd gepoogd moest worden om CONSENSUS te bewerkstelligen. Mocht
dat niet lukken, dan liet dit akkoord de weg open voor lidstaten om een veto uit te spreken wanneer zeer
gewichtige NATIONALE BELANGEN van lidstaten op het spel stonden. In 1974 werd, buiten de verdragen om,
de EUROPESE RAAD opgericht om de informele praktijk van de bijeenkomsten van de regeringsleiders te
formaliseren. Lidstaten probeerden een grotere controle te krijgen over de uitoefening van de
uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie door middel van het ingewikkelde systeem van
‘COMITOLOGIE’ waarbij de Commissie in samenspraak handelt met comités van nationale experts.
, 1.3.2 Een actief Hof van Justitie en Europees Parlement
In 1963 oordeelde het Hof over Costa/E.N.E.L. en Van Gend & Loos. Hieruit ontstond een duidelijke
BOODSCHAP: met de oprichting van de Gemeenschappen hebben de lidstaten hun soevereiniteit begrensd
en een autonome EUROPESE RECHTSORDE gecreëerd. In 1979 werden er voor het eerst verkiezingen
gehouden voor het Parlement.
1.4 1985-2004: De jubeljaren?
In 1985 werd het VERDRAG VAN SCHENGEN gesloten. Dit verdrag zorgde voor de afschaffing van
paspoortcontroles aan de grenzen en droeg zodoende bij aan de realisatie van de interne markt en het
vrije verkeer.
1.4.1 Europese Akte (1986)
In februari 1986 werd, na jaren van stagnatie, de EUROPESE AKTE ondertekend waarin ambitieuze plannen
werden ontvouwd om het vrij verkeer tussen de lidstaten verder uit te bouwen en de interne markt te
voltooien. Er kwamen BEVOEGDHEDEN bij om regels voor andere beleidsterreinen vast te stellen, zoals
milieu, regionaal beleid en onderzoek. Ook luidde deze Akte belangrijke INSTITUTIONELE HERVORMINGEN in
waarbij de nadruk kwam te liggen op meer communautaire of supranationale oplossingen die maakten
dat lidstaten minder grip kregen op het INTEGRATIEPROCES.
1.4.2 Verdrag van Maastricht (1992)
In 1992 werd te Maastricht het VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE (VEU) ondertekend. Tot aan de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) zou de Europese Unie rusten op DRIE
PIJLERS:
1. De drie gemeenschappen (EG, EGKS en Euratom)
2. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)
3. Het terrein van justitie en binnenlandse zaken (JBZ)
Onder de EU vielen VIER JURIDISCHE ORGANISATIES: de drie gemeenschappen en de nieuwe EU. De chaos die
hieruit is ontstaan werd ook in de hand gewerkt door de opt-outs, UITZONDERINGSCLAUSULES, die sommige
lidstaten hadden bedongen ten aanzien van bepaalde terreinen, zoals de invoering van de euro of het
sociaal beleid. Met het VERDRAG VAN MAASTRICHT werden de bevoegdheden van het Europees Parlement
verder uitgebreid door middel van de introductie van een zogeheten ‘CODECISIEPROCEDURE’, de huidige
gewone wetgevingsprocedure van art. 290 VWEU.
1.4.3 Verdrag van Amsterdam (1997), Verdrag van Nice (2001) en verdere uitbreiding van de EU
Om de EU klaar te stomen voor de UITBREIDING, met name in oostelijke richting, waren nieuwe
institutionele hervormingen noodzakelijk. De onderhandelingen verliepen MOEIZAAM omdat grotere
landen hun invloed niet wilde verliezen ten gunste van kleinere (nog toe te treden) landen. Sinds het
VERDRAG VAN AMSTERDAM werd de derde pijler omgedoopt tot politiële en justitiële samenwerking in
strafzaken (PJSS) en werd ook de samenwerking op het terrein van asiel uitgebreid. Het VERDRAG VAN NICE
zorgde voor de wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
1.5 2004-nu: Van crisis naar crisis
1.5.1 Het Grondwettelijk Verdrag afgewezen
Het GRONDWETTELIJK VERDRAG was het antwoord op de samengelapte verdragswijzigingen in de voorgaande
tien jaar die het er niet overzichtelijker op hadden gemaakt. Het Verdrag bestond voor het grootste
gedeelte uit CODIFICATIE van bestaande bevoegdheden.