Toegepaste Genetica
Tweedejaars Toegepaste Biologie
HAS Green Academy | Studiejaar 2025–2026
Inhoud van dit document
• HC2 — Rastypes en Selectiemethoden
• HC3 — Zelfbevruchters en Klonale Gewassen
• HC4 — Effectieve Populatiegrootte en Inteelt
• HC5 — Introgressie, Mutaties en Ploïdie
• HC6 — Fok- en Veredelingswaarde en Selectieresultaat
• Practicum — Radijsidentificatie (week 4)
• Practicum — Ploïdie
• 10 Oefenvragen met uitgewerkte antwoorden
Toegepaste Genetica — HAS Green Academy 2025–2026 | Pagina 1
, HC2 — Rastypes en Selectiemethoden
(HC1 is een introcollege)
1. Rastypes
Zowel bij planten als bij dieren onderscheiden we verschillende typen rassen. Elk type heeft
eigen kenmerken, voor- en nadelen. Het uitgangspunt van fokkerij en veredeling is altijd: een
kruising maken met geselecteerde ouders en vervolgens in de nakomelingen selecteren om
het vooraf bepaalde doel te bereiken.
Figuur: Overzicht van de rastypes bij plantcultivars en dierrassen.
1.1 Landrassen
Landrassen zijn eeuwenlang door boeren ontwikkeld, zonder gerichte wetenschappelijke
veredeling. Ze zijn een product van natuurlijke en lage kunstmatige selectiedruk.
Kenmerk Beschrijving
Selectiedruk Laag (klimaat, bodem, voorkeuren boer)
Genetische variatie Groot binnen het ras
Opbrengst Lager dan moderne rassen
Robuustheid Hoog (goed aangepast aan lokale omstandigheden)
Gebruik Nog veel in ontwikkelingslanden; genbank-materiaal
Voorbeelden dieren: Ankole-vee (Afrika), Fayoumi-kip, landvarkens.
Voorbeelden planten: Armeense komkommer, kleurrijke maiskolfvarianten, lokale
aardappelvarianten.
Toegepaste Genetica — HAS Green Academy 2025–2026 | Pagina 2
,1.2 Kloonras
Een kloonras bestaat uit genetisch identieke individuen (klonen) van één moederplant.
Vermeerdering verloopt vegetatief, dus geslachtsloos.
• Geen genetische variatie binnen het ras
• Individuen bewaren het genotype van de moederplant (vaak heterozygoot, omdat
klonale gewassen doorgaans niet via zelfbestuiving zijn ontstaan)
• Vegetatieve vermeerderingswijzen: stek (chrysant, conifeer), enting (appel), knol
(aardappel), weefselkweek (gerbera)
1.3 Lijnras (Inbred Line — IBL)
Een lijnras wordt verkregen door herhaalde zelfbestuiving van zelfbestuivers. Na 6–8
generaties zelfbestuiving is het ras nagenoeg volledig homozygoot.
• Toegepast bij: sla, tomaat, rijst, erwt, boon, tarwe, gerst
• Weinig variatie binnen het ras
• Resultaat: stabiele, uniforme inteeltlijn (IBL)
1.4 Populatieras (Open Pollinated Population — OPP)
Een populatieras kent random mating: individuen kruisen vrij met elkaar. De
allelfrequenties zijn stabiel (Hardy–Weinberg-evenwicht). Voorbeelden: spinazie, kool,
wortel, asperge, komkommer, maïs.
1.5 Hybrideras (F1-hybride)
Bij een hybrideras worden twee homozygote ouderlijnen (P1 × P2) gekruist, waardoor alle
nakomelingen identiek heterozygoot zijn (F1-hybride).
Figuur: Veredelingsschema voor een lijnras en hybrideras — van ouderlijnen via F1 naar
selectie.
Planten:
• Ouderlijnen zijn cultivars van zelfbestuivers of inteeltlijnen
Toegepaste Genetica — HAS Green Academy 2025–2026 | Pagina 3
, • F1-hybride is heterozygoot en uniform
• Voordelen: heterosis (hybridevigeur) en bescherming intellectueel eigendom
Dieren:
• Inteeltlijnen zijn nooit volledig homozygoot
• Voorbeeld: Black Rock-kip (Rhode Island Red × Barred Plymouth Rock)
Schema: Hybrideras bij planten
Stap Generatie Genotype Toelichting
Selectie ouderlijnen P1 × P2 AABB × aabb Beide ouders zijn homozygoot
Kruising F1 AaBb Alle F1-planten zijn identiek
heterozygoot
Zelfbestuiving F1 F2 Uiteenlopend Verlies van uniformiteit → telers kopen
(9:3:3:1) jaarlijks nieuw zaad
⚠ Bescherming intellectueel eigendom
Als een boer zelf zaad oogst van een F1-hybride en dit opnieuw uitplant, krijgt hij in de
F2
een 9:3:3:1-verdeling — geen uniforme opbrengst. Hierdoor zijn telers afhankelijk van het
zaadbedrijf. Dit is een bewuste vorm van intellectuele-eigendomsbescherming.
2. Fokkerij en Veredeling: Selectie
De kern van fokkerij en veredeling: maak een kruising met geselecteerde ouders en
selecteer in de nakomelingen om het doel te bereiken. Traditioneel gebeurt selectie op basis
van fenotypering — zichtbare eigenschappen worden beoordeeld, waarbij
omgevingsinvloeden automatisch worden meegenomen.
2.1 Kwalitatieve vs. kwantitatieve eigenschappen
Type Kenmerken Erfelijkheidsgraad Voorbeelden
(h²)
Kwalitatief Duidelijke categorische Vaak hoog (0,6– Bloemkleur, vachtkleur,
klassen 1,0) bloedgroep
Kwantitatief Continue verdeling, veel Variabel, vaak laag Opbrengst, melkgift,
genen betrokken lichaamslengte
Kwantitatieve eigenschappen zijn complexer door:
• Veel betrokken genen
• Verschillende dominantieverhoudingen (intermediair, dominant, subdominant,
overdominant)
• Epistatische effecten (het ene gen beïnvloedt de werking van een ander gen)
Toegepaste Genetica — HAS Green Academy 2025–2026 | Pagina 4