Inhoudsopgave
Lecture 1: Introduction 2
Lecture 2: The economic psychology of money 4
Lecture 3: How people understand the economy 8
Lecture 4: Inflation & The index of consumer sentiment 12
Lecture 5: Work, unemployment, & incentives 16
Lecture 6: Wealth and happiness 20
Lecture 7: Poverty and the psychology of debts 24
Lecture 8: Financial decision making & Financial literacy 29
Lecture 9: Saving vs. spending 32
Lecture 10: Gambling & Insurances38
Lecture 11: Taxation 43
Lecture 12: The aging consumer 47
Voorbeeld tentamenvragen + Antwoorden 51
1
,Lecture 1: Introduction
Markets are places where goods are exchanged. Commonly defined as the intersection of supply and
demand for goods and services, labour, land, capital, rights and other exchangeable resources. Actor’s
behaviour in the marketplace depends upon their expectations for the future. These are informed by
actor’s past and current experiences.
Economics and psychology as social sciences are both concerned with human behaviour. Economics
concentrates on behaviour in commercial and financial context. Psychology investigates behaviour (and
experience) in a variety of life areas. There are multiple points of contact between the two disciplines.
BUT scientific developments have taken different trajectories (trajecten, richtingen); Economics is based on
a normative model of human behaviour and concerned with behaviour in the aggregate (gezamenlijk) (bijv.
market- or state-level). Psychology concentrates on the individual, on differences between people and on
(small) group dynamics.
Economics Psychology
Based on a few fundamental assumptions that Becker An inductive approach, empirical theories at low levels.
(1976) calls ‘The Economic Approach’: utility Explanations of individual behaviour.
maximisation, stable preferences, market equilibrium. All Intensive effort to describe details.
economic laws are derived from these assumptions.
Symbolic mathematical language and models. Experimental and statistical methods, scale-building
techniques.
Objective data Observational data and subjective data, including data
on emotions.
Interest in aggregate data (macro-level variables) Interest in general and differential (verschillende) laws
of behaviour.
Assumptions on individual behaviour are there to assist Assumptions about individual behaviour must be realistic
in predicting phenomena (‘as if’ assumptions) (description (beschrijving) and prediction)
Psychological concepts are translated into economic Contextual, structural and systemic variables are usually
terminology to make them compatible (verenigbaar) ignored.
with the rationality assumption
Economic psychology
Wärneryd (1988): Economic psychology studies the psychological mechanisms and processes that
underlie consumption and other economic behaviour. It deals with preferences, choices, decisions and
factors influencing these, as well as the consequences of decisions and choices with respect to the
satisfaction of needs. Furthermore, it deals with the impact of external economic phenomena upon human
behaviour and well-being. These studies may relate to different levels of aggregation: from the household
and individual consumer to the macro level of whole nations.
Katona (1951): The basic need for psychology in economic research consists (bestaat uit) in the need to
discover and analyse the forces (krachten) behind economic processes, the forces responsible for
economic actions, decisions and choices. Economics without psychology has not succeeded in
explaining important economic processes and psychology without economics has no chance of explaining
some of the most common aspects of human behaviour.
Economic psychology is increasingly recognized as representing more than (meer dan) an applied field
(toegepast gebied) of psychology. Similarly, behavioural economics is gaining ground within the field of
economics. Consequently, Brandstätter, Güth & Kliemt (2009) called for the term “psychology and
economics” to replace ‘psychology versus economics’.
Research topics economic-psychological (Raaij, 1981):
1981-1985: 127 publicaties met 27 in environmental
behaviour.
1986-1990: 135 publicaties met 29 in consumer behaviour.
1991-1995: 182 publicaties met 27 in consumer behaviour.
1996-2000: 190 publicaties met 26 in individual decision-
making en 26 in financial behaviour and investment.
2
,2001-2005: 220 publicaties met 31 in consumer behaviour.
2006-2010: 299 publicaties met 60 in individual decision-making.
Conclusie
Economic theories and methods are not sufficient on their own to describe and predict human behaviour
and decision making. The economic approach is based on various axioms (stellingen) that define rational
behaviour. The question arises of whether people always want to behave rationally even when they have
the time and knowledge to do so. Deviations (afwijkingen) from the neoclassical model (nieuwklassiek),
which uses the homo economicus as a metaphor to describe people as rational agents maximizing their
utility, need to be explained. Hence, the necessity to integrate psychological knowledge into economic
models becomes clear
3
,Lecture 2: Money
Money is a polymorphous concept (not clearly defined and can take various forms):
Bank notes and coins are prototypical (wat de meeste mensen als geld zien), while credit cards, checks,
and foreign currencies are further from the core of people‘s perceptions (Snelders, Hussein, Lea, & Webley,
1992).
Money subsitutes, as phone cards, vouchers etc. are evaluated as rather untypical for money (Rumiati &
Lotto, 1996).
Electronic money (debit cards, credit cards) has a higher level of abstractness and was at first rather
rejected, also due to less perceived control over the available money (Penz, Meier-Pesti, & Kirchler, 2004).
Nowadays cashless payments are very popular but considerable differences between people and
countries (also technical aspects play a role)! Per mens, land en technical aspects verschilt het of ze
cashless betalen of met cash. Trust is belalngrijk bij de keuze om cashless of cash te betalen. Bij debitcard
is er meer controle bijvoorbeeld. In Oostenrijk en Duitsland betalen ze nog steeds veel met cash, omdat na
de WOII veel banken failliet gingen en veel mensen hun geld kwijtraakten. Ze vertrouwen het nu minder
door de geschiedenis.
Functies van geld
Means of exchange: divisible (wisselgeld, zodat elke prijs betaald kan worden), portable (handig om mee
te nemen), durable (mag niet slijten over de jaren heen).
Store of value: scarce (kan niet nagemaakt worden en dus niet even meer gehaald worden), stable (value
(waarde) moet gelijk blijven over lange tijd heen om trust te houden).
Unit of account: acceptable (moet overall geaccepteerd worden).
Adam Smith: benoemt deze characteristics. Iron voor Spartans, copper voor Romans, gold en silver voor
alle rijken in nations.
Barter (specialisatie): wanneer je excanged (ruilt) tussen dingen ipv met geld koopt (foundations of a barter
economy). Bijv. A maakt een haak in 3 uur en vist in 4 uur. B maakt een haak in 2 uur en vist in 1 uur. B is
dus in beiden beter dan A, maar toch is het voor B beter om zich te specialiseren in vissen vangen, want
als hij een vis vangt kan hij dit ruilen voor een haak, waardoor hij uiteindelijk 2 uur bezig is ipv 3. A
specialiseert zich in het maken van haken en ruilt dit later voor een vis wat hem uiteindelijk 6 uur kost ipv 7.
Labour: specialiseren in 1 ding.
Het is belangrijk dat de ruil (trade) in dezelfde time-frame valt. Als je een ruil wilt maken tussen brood en
vlees, maar hebt momenteel voldoende vlees, dan kan je de ander dus al het brood geven en afspreken
dat jij het vlees later krijgt. Maar hier is trust belangrijk dat je die later ook echt krijgt. Geld maakt dat veel
makkelijker; hierdoor kan je vlees kopen wanneer je wilt en brood wanneer de ander wilt.
Double coincidence of wants: beide partijen moeten ermee eens zijn om elk product te kopen en
verkopen. Dit is the primary handicap of barter.
Adam zegt dus dat geld is invented als gevolg van de labours opdelen ofwel specificaties. Anderen denken
dat geld is invented als noodzaak om met debts rekening te houden (account for) wanneer de societie
groeit. Zou misschien door trust issues komen.
Fei of Yap laat zien dat geld zich ook ontwikkeld in een economie die voorheen perfect functioneerde met
barter, omdat het daar alleen maar bestond (consisted) uit 3 commodities (vis, kokosnoten en
zeekomkommers). Fei zijn grote ondraagbare stenen op het eiland Yap. Maar de eigenaren wisselden elke
keer. Dat was hun ruilmiddel. Hun soort ‘geld’ did not originate as means of exchange (Martin, 2014).
History
Primitive money (pre-coin): er waren geen coins of afgeleiden (derivative) daarvan. Het waren gewoon
units of objects. Bijvoorbeeld: cowrie (mollusc shells), whale teeth, yap stone, wampum, and cattle.
Later was er ruil met koper, brons en andere metalen. Het is onduidelijk wanneer coins zijn invented, want
er zijn verschillen in definities. Waarschijnlijk was China de eerste staat die state-approved ‘coins’ had,
4
,zoals knives, spade (schep) en hoes (schoffels), gemaakt van basis metalen die identiek aan elkaar waren
met een guaranteed value (1.200 BC).
635 BC: Waarschijnlijk de prototypical money, metal quasi coins (silver blobs). Gebruikelijk in Lydia en
Ionian Greece (nu Turkije). Dit werd gezien als een start of a new monetary era.
600 BC: Eerste hammered coins. Gemaakt van Lydian metal ‘electrum’ (maak je ook goud en zilver van).
Afkomstig uit een rivier waar het verhaal van Greek legend of Mida’s hand komt: omdat hij daar zijn handen
wast, is die rivier rijk geworden aan electrum.
De spread van coins is snel gegaan binnen de Persian empire en mainland Greece, kolonieën en verder.
Binnen de Grieken en Romeinen was er een geldontwikkeling tussen 600 BC en 410 AD.
De geldontwikkeling ging samen met de vooruitgang (advancement) van industrie en handel (commerce),
en ook banking development, zoals money-lending (lenen), money changing (wisselen), depositing coins
(storten).
In 476 verlieten de Romeinen Brittannië, waardoor daar ook de coin verdween voor 300-400 jaar. In 769
made penny its appearance door bijna heel Engeland. Daardoor was Engeland het eerste land in Europa
na de Romeinse tijden die een nationale currency opstelde in 988 (practice 1066). De bank van Engeland
onstond in 1600s. in 1800s ontstonden paper money, national debt, inflation, unions, savings banks.
Commodity vs. Fiat money (Leiser, 2018)
Er wordt onderscheid (distinguishes) gemaakt tussen 2 soorten geld:
* Commodity money (goederengeld): het material bepaalt de waarde waar de coin/trade van is gemaakt.
Hierin spelen durability, vervormbaarheid (malleability) en roestbestendigheid (resistance to rust) mee. In
een gevangenis hebben sigaretten bijvoorbeeld veel waarde. De face value (nominale waarde) is slechts
voor het gemak, maar niet gelijk aan de actuele beurskoers (vraag/aanbod). Dit soort geld is gefocust op
de materiële eigenschappen.
* Fiat money: zoals de euro, dollar, yen, etc. Deze worden niet gedekt door goud, wat bij andere soorten
wel gedaan kon worden. Hierbij moet er trust zijn in de overheid dat zij het uitgeven (issues) en in de
economic community dat zij het zullen accepteren. Je moet maar vertrouwen dat het waarde heeft.
Tool vs. Drug theory (dual nature of money) (Lea & Webley, 2006)
* Tool theory: “Money is only a tool. It will take you wherever you wish, but it will not replace you as the
driver” (Ayn Rand). Geld heeft geen incentive value (prikkelende waarde) van zichzelf, maar het is een
indirect middel to acquire things dat biologische incentive value heeft.
* Drug theory: “Money never made a man happy yet, nor will it. The more a man has, the more he wants.
instead of filling a vacuum, it makes one” (Benjamin Franklin). Geld heeft wel een incentive value, maar kan
niet biologische needs satisfyen. Er is een idee van een drug als bedrieger (deceiver): de stimulus heeft op
zichzelf geen biologische betekenis, maar heeft wel motiverende eigenschappen omdat het dezelfde
psychologische effect als andere stimuli die biologisch significant is. Geld is een functionless motivator.
Perceiving coins (waarnemen)
Kinderen overschatten de grootte van coins in vergelijking met andere fysieke gelijke stimuli. Wat zorgde
voor tegengesteldes (controversy) en experimenten van andere auteurs. Uiteindelijke basis claim is dat er
iets speciaals is aan money objects op psychologisch level.
Britse munten van voor de hervorming worden groter herinnerd dan identieke munten die in waarde zijn
gedaald door de snelle inflatie. Hetzelfde bij een oude pondbiljet. Ook te zien in andere landen. De waarde
van geld geeft een speciale status die de normale perceptuele cognitieve processen beïnvloedt (interferes).
Money illusion
Geld kan worden uitgedrukt (denominated) in nominale waarde (werkelijke geldhoeveelheid) en real
values (reële waarde, koopkracht). Money illusion is voor decades afgewezen (dismissed) bij theoretische
economen, maar wel terug te vinden in experimenten en enquêtes. Money illusion ontstaat (arises) doordat
mensen het moeilijk vinden om met zowel nominale en reële waarde te werken. Dit is bewijs dat alleen Tool
theory niet voldoende/geschikt (adequate) is.
5
, Money conservatism (het willen behouden)
In 1983 werd in UK de pound note vervangen door coins. Hierop was een hostile (vijandige) reactie. In
1985 werd getoond dat mensen er ander mee omgingen: de coins werden sneller uitgegeven dan de notes.
Zo ook was UK tegen de EURO, maar waren mensen het meer eens met hun dislike naar de euro dan de
hun reden.
In 1979 werd in US de ‘Susan B. Anthony’ dollar coin gereject en was dit een fail. Dit laat zien dat mensen
attached zijn to money objects, wat wordt verwacht bij de Drug theory. Mensen willen bijvoorbeeld de
Gulden behouden, geen nieuwe currency. Maar toch gedragen ze zich anders uiteindelijk, ondanks
resistance.
Money attitudes
Dit kan getoetst worden door de scales: Money Attitudes Scale (Yamauchi & Templer, 1982), Money Beliefs
and Behaviour Sclae (Furnham, 1984) en Love of Money Scale (Tang, 1995). Deze zijn allemaal
multifactorieel en bevatten 3 tot 8 factoren. Tang onderscheidt verschillende factoren: affective component
(zie geld als goed of slecht), cognitive component (zie je geld als middel voor achievement, respect en
vrijheid of als power) en behavioural component. De resultaten laten een scheiding (dissociations) zien
tussen instrumentele en affectieve aspecten van geld. Dus heeft geld Tool eigenschappen (properties) en
Drug eigenschappen.
Money and social status
Geld is een belangrijke marker van status in de moderne societies. Voor sommigen dient geld als
algemene wealth (rijkdom), bezittingen (possessions) en consumptie. Er zijn individuele verschillen in de
mate waarin wealth wordt geïnterpreteerd als een teken van status en materialisme (waarde die aan
objecten worden toegekend op basis van hun financiële waarde). Mensen met een hoog materialisme
zoeken geluk in wealth en possessions (blij met geld spenderen). De Tool theory stelt dat geld een
instrument is om sociale status te krijgen (obtain) of vast te stellen (assess). De Drug theory stelt dat geld
een zelfvernietigende aard van materialisme is (debt, depression)
Money work & Money addiction
Als US studenten boeken moeten verkopen maar zichzelf moeten distantiëren van geld (die ze krijgen bij
succesvol verkoop), dan wordt het idee van geld bijna magical content. Hoarding of money (hamsteren) is
het verzamelen van geld voor precautionary (voorzorg) of investment doelen. Miserlineless (gierigheid) en
hoarding horen bij OCD en hangt samen met compulsive shopping.
Restrictions of money use
Geld is gespecificeerd als ruilmiddel (tool for exchange). Bij young adult is het niet normaal om hun moeder
geld te geven als cadeau. Sociale regels bepalen of geld geven als kerstcadeau acceptabel is of niet. Het
hangt ook af van de relatie, relatieve leeftijd (ouder) en status van de gever en ontvanger (recipient). Als
je geld geeft als cadeau, moet de gever een hogere status hebben, al is dat alleen door ouder te zijn.
De waardering van cadeaus hangt niet af van monetary value (hoeveel iets waard is in geld). Ook is er een
taboe voor het geven van geld nadat je hulp hebt gekregen van je buren. Dan komt het over alsof je niks
meer te maken wilt hebben met diegene. Als je iemand helpt, zul je dat later hulp terugkrijgen wanneer jij
dat nodig hebt.
Money in relationships
Geld is onacceptabel om te geven in sexual reletionships. Wel kan geld ingeruild worden voor seks als het
geen affectieve context heeft. Verder zijn er veel situaties waarin het geven van geld niet de voorkeur heeft.
Gek genoeg is het meer acceptabel en leuker om iets te krijgen wat precies de geldwaarde is zoals een
cadeaubon, die dan beperkt is tot een aantal winkels of producten. Als je dezelfde hoeveelheid geld in
briefjes en muntjes zou krijgen, zou je bij álle winkels terecht kunnen. Deze beperking op het gebruik van
geld is een sterk argument voor de Drug theory.
Conclusie
De Tool theory is niet onjuist, maar onvoldoende om alle situaties ermee te verklaren. In sommige situaties
heeft geld waarde en emotionele lading (charge) die niet verklaard kan worden door het economisch
gebruik ervan. Lea en Webley (2006) geven 3 resultaten: (1) Hoewel geld een efficiënt middel is en het een
6