Ontwikkelingspsychologie
Toegepaste Psychologie
Hogeschool Leiden
,Inhoud
Geen inhoudsopgavegegevens gevonden.
2
, Week 1 Levensfasen – Baby 0-2 jaar
De student kan:
• Het zenuwstelsel -> neurotransmitter, neuron, myeline en plasticiteit (onderscheiden en uitleggen)
• Motorische ontwikkeling verklaren vanuit dynamische systeemtheorie.
• 4 basisbegrippen van PIAGET beheersen (schema, adaptie, assimilatie en accommodatie) ->
construeren mentaal begrip vd wereld
• Ontwikkeling sensorimotorische fase aan de hand van 6 substadia met bijbehorende verworvenheden
• Ontwikkeling tijdens de babytijd aan de hand van de informatieverwerkingstheorie en het verschil met
PIAGET uit leggen.
• Begrippen Social referencing en Theory of mind beschrijven en onderscheiden.
• Theorie over hechting op basis van Lorenz, Harlow, Bowlby en Ainsworth benoemen en onderscheiden
Fysieke ontwikkeling (invloed van hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen, eten, drinken en slaap)
Baby’s verdubbelen hun gewicht in de eerste 5 maanden. Na 1 jaar is het gewicht verdrievoudigd en pm 25 cm.
Hersen van volwassenen zijn ong. 1,4 kg = 2/5 lichaamsgewicht. Hersenen baby wegen ¼ van gewicht
volwassen hersenen t.o.v. het tot lichaamsgewicht van 1/10 van een volwassene.
Baby’s hebben heel veel zenuwcellen maar weinig dendrieten. Maar bij alles wat een baby leert komen er nieuwe
dendrieten bij die elkaar niet raken. Er vindt communicatie plaatst door elektrische signalen, via de axon naar de
eindknopjes. Daar wordt de neurotransmitter gevormd (actiepotentiaal). (Dopamine etc)
Synapsen (snoeien), het elimineren van zenuwverbindingen als ze niet meer door ervaringen worden
gestimuleerd. Vanaf 2 jaar komt er een fase dat er gesnoeid gaat worden.
Zenuwstelsel = netwerk van cellen dat info kan opnemen en verwerken. Verbinding tussen delen van het lichaam.
Neuroplasticiteit, het vermogen van de hersenen om te groeien, te veranderen en nieuwe verbindingen te
leggen tussen cellen.
Reflexen, niet aangeleerde onvrijwillige responsen. Zijn ervoor om te overleven en het welzijn te verzekeren.
Gedrag van een baby wordt bepaald door reflexen (zoekreflex, zuigreflex). Deze reflexen verdwijnen doordat
baby’s meer controle krijgen over hun bewegingen, het beter beheersen van spieren.
Mijlpalen in lichamelijke en zintuigelijke ontwikkeling:
• Grof motorische vaardigheden, rechtop zitten, lopen
• Fijn motorische vaardigheden, 3 maanden -> arm en been op elkaar afstemmen.
• Non-motorische vaardigheden, visuele vermogens ontwikkelen zich tegelijk met motorische
vaardigheden.
• Reukzin bij geboorte goed ontwikkeld, herkend moeder door geur
• Tastzin (gevoel al in baarmoeder)-> aanraking is een van de sterkst ontwikkelde sensorische
systemen van baby
• Baby’s kunnen al vroeg info van verschillende zintuigen combineren (multimodale benadering van
perceptie)
Dynamische systeemtheorie van ontwikkeling, verklaring voor de ontwikkeling en coördinatie van motorische
vaardigheden, tegelijkertijd. De systemen beïnvloeden elkaar allemaal. De motivatie/wil om iets te doen van het
kind (cognitieve toestand) staat centraal. Motivatie is de stimulatie voor motorische ontwikkeling. Het
dynamische proces van ontwikkeling van motorische vaardigheden (alles vindt tegelijk plaats aan de hand van de
ervaringen van het kind).
Failure te thrive, kinderen hadden niet meer de wil om te ontwikkelen en te groeien doordat ze geen aandacht
kregen.
Kritieke periode, periode in ontwikkeling waarin gebeurtenis grootste onomkeerbare gevolgen heeft en niet meer
te herstellen is (Lorenz met zijn ganzen, inprentingsfase). Echter bij mensen is dit iets genuanceerder.
Bijvoorbeeld hechting die is misgegaan.
Gevoelige periode, periode waarin mensen extra gevoelig zijn voor omgevingsinvloeden en openstaan voor het
leren van vaardigheden (t/m 7 jaar) -> bv taal. Dingen kunnen makkelijk en snel geleerd worden.
3