Psychiatrie – module 4
Hc 1A & 2A zijn geen toets stof!
1B. Inleiding psychopathologie
- Biologische factoren
- Psychische factoren
- Sociale factoren
I-> lijden tot verandering in hersenen met gevolgen
Werken in psychiatrie
- Artsen
- Psychologen
- Sociaal -> vpk, sj werker
- Drama, muziek, bewegingstherapeuten
Waar werken?
- Extramuraal (ambulant): thuiszorg, huisartsenpraktijk
- Intramuraal: verpleeg-/verzorgingshuizen, psychiatrische ziekenhuizen/instellingen
- Semimuraal: deeltijdbehandeling in ziekenhuis/instelling voor geestelijke
gezondheidszorg of dagverpleging in verpleeghuis
Verschillende diagnoses
- Symptoomdiagnose: afgaan op bepaalde symptomen om een diagnose te stellen
Vb. hoesten =
- Syndroomdiagnose: mensen meer klachten en lichamelijke bevindingen
Vb. syndroom van down = vaak kleiner, organen aangedaan
Vb. hartfalen = klachten bij elkaar + lichamelijke bevindingen -> syndroom
- Oorzakelijke-verklarende diagnose (structuur diagnose): ga je dieper erop in
Ik zie iets -> komt daar door -> dit zijn de gevolgen
I-> is een syndroomdiagnose die aangepast is aan een individu
Termen binnen structuurdiagnose
- Etiopathogenese: denken over ontstaan en ontwikkeling van ziekteproces
- Predisponerende factoren: aanwezige factoren = erfelijkheid, opvoeding, coping,
persoonlijkheid
- Protectieve factoren: beschermende factoren = leeftijd, steun uit relaties, werk
- Luxerende factoren: uitlokkende factoren = life events, levensfase, onbekend
- Onderhoudende factoren: factoren die beeld na ontstaan in stand houden
Wat is (ab)normaal?
I-> statistisch: kijken naar IQ Score, verdeling gebruiken (onder/bovenkant als abnormaal
bekijken)
I-> psychosociaal (maatschappelijk): afwijken van norm in maatschappij, normaal of
abnormaal
Vb. dun normaal? Kuif normaal?
I-> persoonlijk: subjectieve ervaring, wat vind jijzelf normaal/abnormaal
Bij persoonlijk lijden, onvoorspelbaarheid, overtreden morele normen
Vb. depressieve klachten, functioneren in gezin werkt niet meer
,Gs psychiatrie, 460 v. christus tot 19e eeuw
Vroegen dacht men dat je uit sappen bestond
Humoraalleer: ziektes zijn disbalans van 4 lichaamssappen, is ziektemodel
1. Bloed (sanguis): vurig, energiek -> optimisme (sanguinicus)
2. Gele gal (xanthè cholè): driftig -> geagiteerdheid (cholericus)
3. Zwarte gal (melaina cholè): zwartgallig -> pessimisme (melancholicus)
4. Slijm (phlegma): kalm, rustig -> onbewogenheid (flegmaticus)
19 eeuw:
Stoornissen werden meer gezien als hersenziektes
Begin 20e eeuw: Freud (grondlegger van psychoanalyse)
I-> onderbewust en bewust, in onderbewust stop je problemen uit verleden. Die problemen
kunnen lijden tot problemen in het nu!
I-> afweermechanisme:
- Ontkenning van realiteit: niet toegeven aan situatie, ontkenning probleem
- Verdringing: herinnering aan ervaring wordt onbeschikbaar
- Dissociatie: naar jezelf kijken vanaf een afstand
- Regressie: gedrag uit verleden weer terug naar heden halen
- Projectie: eigen emoties/eigenschappen verbergen door deze toe te schrijven aan
iemand anders
- Rationalisering: pijnlijke gedachten omdraaien
- Verplaatsing: een ander doel dan werkelijk doel in plaats stellen
- Reactievorming: van gevoelens worden sociaal/moreel onacceptabele gedeelte
verdrongen en acceptabele gedeelte wordt versterkt
- Sublimeren: driften omzetten in iets anders. Vb omzetten naar muziek
- Identificatie: identificeren met ‘dader’ om angst naar boven te laten komen
Vanaf jaren ’50 (1950): ontwikkeling psychofarmaca
- Vb. stoffen aangaan door antidepressiva
Moderne verklaringsmodellen
- Biopsychosociaal model: grondlegger = George Engel
Voorbeschikkende factoren (cultuur, gezin, persoonlijkheid, fysieke toestand ->
uitlokkende factoren (sociaal, psychisch, biologisch -> onderhoudende factoren
(sociale interactie, overtuigingen, gedachten, milieu, lichamelijke toestand
I-> samenwerking tussen sociale, psychische en biologische factoren
- Kwetsbaarheidsmodel:
Draagkracht (vermogen om zich aan te passen) vs draaglast (stressoren), sterke vs
zwakke punten, coping, tijd (kwetsbare/uitlokkende/onderhoudend factoren)
I-> hoe minder draagkracht, hoe kwetsbaarder je bent bij mate van stress. DUS
kwetsbaarheid is een tekort aan adequate coping dop stress door stressor
I-> stressor -> stress -> coping
- Ontwikkelingsmodel: nadenken over tijd wanneer het is ontstaan
ADHD (aandacht te kort + druk), ASS (autisme spectrumstoornis)
, Psychiatrisch onderzoek, uitvragen en rapporteren
- Algemene indruk: uiterlijk, contact, spraak, ziektebesef, intoxicatie
- Cognitieve functies: bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen, waarneming,
denken
- Affectieve functies: stemming (langdurige gemoedstoestand, onafhankelijk van
situatie), affect (korte duur, hangt af van situatie), dus kijken naar gemoedstoestand
en wisseling hierin
- Conatieve functies: drive om iets te doen, motivatie, psychomotoriek (mimiek,
spraak, bewegen), kenmerken persoonlijkheid, wilsbekwaamheid, niveau van
psychosociaal functioneren
DSM V, classificatie syndroom diagnose
I-> voordeel: noodzaak, overzichtelijk, richtlijn
I-> nadeel: classificatie wordt als diagnose beschouwd en zo verder meegenomen
I-> werkt niet met assen, As 1,2,3 zijn geïntegreerd met elkaar
- As 1: psychiatrische stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, somatische
aandoeningen
- As 4: V-codes = andere problemen die reden tot zorg kunnen zijn
- As 5: word health organisation disability assessment schedule 2.0 (WHODAS 2.0)
DSM III/IV: indeling in 5 assen
- As 1: huidige toestandsbeelden/stoornissen
- As 2: persoonlijkheidsstoornissen + mentale retardatie (intelligentie)
- As 3: lichamelijke toestand (ziektes)
- As 4: psychosociale problematiek
- As 5: globale beoordeling van functioneren (GAF)
Doel DSM
Geeft klinisch beeld
Structuurdiagnose
- DSM geeft classificatie, soms syndroomdiagnose
- Precieze diagnose volgt uit info vanuit werk, sociaal, wonen
- Structuurdiagnose is een narratief: een verhaal, niet uit te drukken in getallen,
kwetsbaarheidsmodel
ICF-model, classificatiesysteem van functioneren
I-> is een gevolgen model, waarop VPK kan inspelen
I-> in geheel naar patiënt kijken
I-> lichaam (functies), activiteit, participatie
Voorbeeld toetsvragen
- Verschil tussen psychiater en klinisch psycholoog
Psychiater mag medicijnen voorschrijven en een psycholoog niet
- Stelling over DSM-IV juist:
Op As I wordt gesproken over klinische stoornissen
- Wat zijn luxerende factoren?
Zijn invloeden vanuit het leven van een individu, vb: verlies dierbare
- Definitie van positieve gezondheid?
Hc 1A & 2A zijn geen toets stof!
1B. Inleiding psychopathologie
- Biologische factoren
- Psychische factoren
- Sociale factoren
I-> lijden tot verandering in hersenen met gevolgen
Werken in psychiatrie
- Artsen
- Psychologen
- Sociaal -> vpk, sj werker
- Drama, muziek, bewegingstherapeuten
Waar werken?
- Extramuraal (ambulant): thuiszorg, huisartsenpraktijk
- Intramuraal: verpleeg-/verzorgingshuizen, psychiatrische ziekenhuizen/instellingen
- Semimuraal: deeltijdbehandeling in ziekenhuis/instelling voor geestelijke
gezondheidszorg of dagverpleging in verpleeghuis
Verschillende diagnoses
- Symptoomdiagnose: afgaan op bepaalde symptomen om een diagnose te stellen
Vb. hoesten =
- Syndroomdiagnose: mensen meer klachten en lichamelijke bevindingen
Vb. syndroom van down = vaak kleiner, organen aangedaan
Vb. hartfalen = klachten bij elkaar + lichamelijke bevindingen -> syndroom
- Oorzakelijke-verklarende diagnose (structuur diagnose): ga je dieper erop in
Ik zie iets -> komt daar door -> dit zijn de gevolgen
I-> is een syndroomdiagnose die aangepast is aan een individu
Termen binnen structuurdiagnose
- Etiopathogenese: denken over ontstaan en ontwikkeling van ziekteproces
- Predisponerende factoren: aanwezige factoren = erfelijkheid, opvoeding, coping,
persoonlijkheid
- Protectieve factoren: beschermende factoren = leeftijd, steun uit relaties, werk
- Luxerende factoren: uitlokkende factoren = life events, levensfase, onbekend
- Onderhoudende factoren: factoren die beeld na ontstaan in stand houden
Wat is (ab)normaal?
I-> statistisch: kijken naar IQ Score, verdeling gebruiken (onder/bovenkant als abnormaal
bekijken)
I-> psychosociaal (maatschappelijk): afwijken van norm in maatschappij, normaal of
abnormaal
Vb. dun normaal? Kuif normaal?
I-> persoonlijk: subjectieve ervaring, wat vind jijzelf normaal/abnormaal
Bij persoonlijk lijden, onvoorspelbaarheid, overtreden morele normen
Vb. depressieve klachten, functioneren in gezin werkt niet meer
,Gs psychiatrie, 460 v. christus tot 19e eeuw
Vroegen dacht men dat je uit sappen bestond
Humoraalleer: ziektes zijn disbalans van 4 lichaamssappen, is ziektemodel
1. Bloed (sanguis): vurig, energiek -> optimisme (sanguinicus)
2. Gele gal (xanthè cholè): driftig -> geagiteerdheid (cholericus)
3. Zwarte gal (melaina cholè): zwartgallig -> pessimisme (melancholicus)
4. Slijm (phlegma): kalm, rustig -> onbewogenheid (flegmaticus)
19 eeuw:
Stoornissen werden meer gezien als hersenziektes
Begin 20e eeuw: Freud (grondlegger van psychoanalyse)
I-> onderbewust en bewust, in onderbewust stop je problemen uit verleden. Die problemen
kunnen lijden tot problemen in het nu!
I-> afweermechanisme:
- Ontkenning van realiteit: niet toegeven aan situatie, ontkenning probleem
- Verdringing: herinnering aan ervaring wordt onbeschikbaar
- Dissociatie: naar jezelf kijken vanaf een afstand
- Regressie: gedrag uit verleden weer terug naar heden halen
- Projectie: eigen emoties/eigenschappen verbergen door deze toe te schrijven aan
iemand anders
- Rationalisering: pijnlijke gedachten omdraaien
- Verplaatsing: een ander doel dan werkelijk doel in plaats stellen
- Reactievorming: van gevoelens worden sociaal/moreel onacceptabele gedeelte
verdrongen en acceptabele gedeelte wordt versterkt
- Sublimeren: driften omzetten in iets anders. Vb omzetten naar muziek
- Identificatie: identificeren met ‘dader’ om angst naar boven te laten komen
Vanaf jaren ’50 (1950): ontwikkeling psychofarmaca
- Vb. stoffen aangaan door antidepressiva
Moderne verklaringsmodellen
- Biopsychosociaal model: grondlegger = George Engel
Voorbeschikkende factoren (cultuur, gezin, persoonlijkheid, fysieke toestand ->
uitlokkende factoren (sociaal, psychisch, biologisch -> onderhoudende factoren
(sociale interactie, overtuigingen, gedachten, milieu, lichamelijke toestand
I-> samenwerking tussen sociale, psychische en biologische factoren
- Kwetsbaarheidsmodel:
Draagkracht (vermogen om zich aan te passen) vs draaglast (stressoren), sterke vs
zwakke punten, coping, tijd (kwetsbare/uitlokkende/onderhoudend factoren)
I-> hoe minder draagkracht, hoe kwetsbaarder je bent bij mate van stress. DUS
kwetsbaarheid is een tekort aan adequate coping dop stress door stressor
I-> stressor -> stress -> coping
- Ontwikkelingsmodel: nadenken over tijd wanneer het is ontstaan
ADHD (aandacht te kort + druk), ASS (autisme spectrumstoornis)
, Psychiatrisch onderzoek, uitvragen en rapporteren
- Algemene indruk: uiterlijk, contact, spraak, ziektebesef, intoxicatie
- Cognitieve functies: bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen, waarneming,
denken
- Affectieve functies: stemming (langdurige gemoedstoestand, onafhankelijk van
situatie), affect (korte duur, hangt af van situatie), dus kijken naar gemoedstoestand
en wisseling hierin
- Conatieve functies: drive om iets te doen, motivatie, psychomotoriek (mimiek,
spraak, bewegen), kenmerken persoonlijkheid, wilsbekwaamheid, niveau van
psychosociaal functioneren
DSM V, classificatie syndroom diagnose
I-> voordeel: noodzaak, overzichtelijk, richtlijn
I-> nadeel: classificatie wordt als diagnose beschouwd en zo verder meegenomen
I-> werkt niet met assen, As 1,2,3 zijn geïntegreerd met elkaar
- As 1: psychiatrische stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, somatische
aandoeningen
- As 4: V-codes = andere problemen die reden tot zorg kunnen zijn
- As 5: word health organisation disability assessment schedule 2.0 (WHODAS 2.0)
DSM III/IV: indeling in 5 assen
- As 1: huidige toestandsbeelden/stoornissen
- As 2: persoonlijkheidsstoornissen + mentale retardatie (intelligentie)
- As 3: lichamelijke toestand (ziektes)
- As 4: psychosociale problematiek
- As 5: globale beoordeling van functioneren (GAF)
Doel DSM
Geeft klinisch beeld
Structuurdiagnose
- DSM geeft classificatie, soms syndroomdiagnose
- Precieze diagnose volgt uit info vanuit werk, sociaal, wonen
- Structuurdiagnose is een narratief: een verhaal, niet uit te drukken in getallen,
kwetsbaarheidsmodel
ICF-model, classificatiesysteem van functioneren
I-> is een gevolgen model, waarop VPK kan inspelen
I-> in geheel naar patiënt kijken
I-> lichaam (functies), activiteit, participatie
Voorbeeld toetsvragen
- Verschil tussen psychiater en klinisch psycholoog
Psychiater mag medicijnen voorschrijven en een psycholoog niet
- Stelling over DSM-IV juist:
Op As I wordt gesproken over klinische stoornissen
- Wat zijn luxerende factoren?
Zijn invloeden vanuit het leven van een individu, vb: verlies dierbare
- Definitie van positieve gezondheid?