Leerdoelen:
1. Hoe wordt het ontstaan, de ontwikkeling en het einde van de criminele
carrières van dit type daders verklaard?
2. Welke theorieën worden gebruikt om de criminele carrières van dit type
daders te verklaren?
3. Welke methoden van onderzoek worden gebruikt om zicht te krijgen op de
criminele carrières van dit soort daders criminele carrières?
4. Hoe verhouden de criminele carrières van deze daders zich tot de andere
criminele carrières uit dit blok?
Lussier, P., & Blokland, A. (2014). The adolescence-adulthood transition and
Robins’s continuity paradox: Criminal career patterns of juvenile and adult
sex offenders in a prospective longitudinal birth cohort study.
Inleiding
De auteurs laten zien dat de kijk op jeugdige zedendelinquentie sterk is veranderd.
Vroeger werd seksueel grensoverschrijdend gedrag door jongeren vaker gezien als
experimenteren of hinderlijk pubergedrag. Vanaf de jaren tachtig ontstond juist het
beeld dat jeugdige zedendelinquenten gevaarlijke, blijvende daders konden zijn.
Dat beeld werd mede gevoed door onderzoek onder volwassen zedendelinquenten,
waarbij achteraf werd gekeken wanneer zij begonnen waren. Volgens de auteurs is
dat riskant, omdat retrospectief onderzoek continuïteit kan overschatten. Als je alleen
kijkt naar volwassen daders, lijkt het vanzelf alsof hun jeugdige gedrag heel
voorspellend was.
Daarom gebruiken de auteurs een prospectieve studie: zij volgen een geboortecohort
vooruit in de tijd.
Theoretische achtergrond
De studie gebruikt een criminele-carrièrebenadering. Dat betekent dat niet alleen
naar één zedendelict wordt gekeken, maar naar het bredere patroon van delicten
door de tijd heen.
Daarbij letten de auteurs onder andere op:
- wanneer iemand voor het eerst geregistreerd wordt;
- hoeveel delicten iemand pleegt;
- of iemand alleen zedendelicten pleegt of ook andere delicten;
- of delinquentie stopt, doorgaat of verandert van vorm.
Dit is belangrijk omdat jeugdige zedendelinquenten geen homogene groep zijn. Voor
sommige jongeren is het zedendelict het enige geregistreerde feit. Voor anderen past
het binnen een breder patroon van geweld, vermogensdelicten of algemene
delinquentie.
Jeugdige zedendelinquenten en algemene criminaliteit
Een belangrijke bevinding uit de literatuur is dat jeugdige zedendelinquenten bij
recidive meestal niet opnieuw een zedendelict plegen. Als zij opnieuw worden
geregistreerd, gaat het vaak om niet-seksuele delicten.
De auteurs benadrukken daarom dat jeugdige zedendelinquentie niet automatisch
wijst op seksuele specialisatie. Vaak is het zedendelict onderdeel van bredere
adolescentieproblematiek of algemene delinquentie.
,Kort gezegd:
- seksuele recidive is relatief zeldzaam;
- niet-seksuele recidive komt vaker voor;
- sommige jeugdige zedendelinquenten zijn generalistische delinquenten;
- andere jongeren plegen slechts één geregistreerd delict.
Korte seksuele criminele carrière
De auteurs bespreken dat de seksuele criminele carrière van jeugdige
zedendelinquenten meestal kort is. Eerder onderzoek laat zien dat slechts een kleine
minderheid later opnieuw voor een zedendelict wordt geregistreerd.
Dit betekent dat jeugdige zedendelinquentie vaak adolescentie-gelimiteerd is: het
gedrag blijft beperkt tot de jeugdperiode en zet zich meestal niet voort in de
volwassenheid.
De auteurs verzetten zich daarmee tegen het idee dat elk jeugdelijk zedendelict
automatisch gezien moet worden als teken van blijvende seksuele deviantie.
Doel van het onderzoek
De studie heeft vier doelen. De auteurs willen:
- jeugdige en volwassen zedendelinquenten met elkaar vergelijken;
- zedendelinquenten vergelijken met niet-zedendelinquenten;
- onderzoeken hoeveel jeugdige zedendelinquenten later volwassen
zedendelinquent worden;
- nagaan of algemene jeugddelinquentie volwassen zedendelinquentie
voorspelt.
Het onderzoek kijkt dus niet alleen naar zedendelicten, maar naar de volledige
criminele loopbaan.
Methode
Het onderzoek gebruikt gegevens van Nederlandse mannen geboren in 1984. In
totaal gaat het om 87.528 mannen. Zij worden gevolgd vanaf 12 jaar, de
minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid, tot ongeveer 23 jaar.
De gegevens komen uit politieregistraties. De auteurs maken onderscheid tussen:
- adolescentie: 12 tot en met 17 jaar;
- vroege volwassenheid: 18 tot ongeveer 23 jaar.
Ook onderscheiden zij verschillende typen delinquenten:
- niet-delinquenten;
- eenmalige delinquenten;
- recidivisten;
- chronische delinquenten.
Chronische delinquenten zijn personen met zes of meer registraties.
Je hebt specialisten (alleen zedendelicten) en generalisten (ook andere soort
delicten)
Resultaten: algemene patronen
In het cohort had ongeveer een kwart van de mannen minstens één politieregistratie
tussen 12 en 23 jaar. Zedendelinquentie kwam weinig voor: 341 personen werden in
de adolescentie geregistreerd voor een zedendelict en 377 personen in de vroege
volwassenheid.
, De meeste zedendelinquenten hadden maar één registratie voor een zedendelict.
Dat ondersteunt de gedachte dat zedendelinquentie bij veel daders geen langdurig of
gespecialiseerd patroon vormt.
Resultaten: jeugdige versus volwassen zedendelinquenten
Jeugdige zedendelinquenten bleken qua criminele carrière vooral te lijken op jeugdige
recidivisten, niet op de zwaarste chronische delinquenten. Zij waren dus niet
automatisch de meest ernstige of meest persistente groep.
Volwassen zedendelinquenten hadden ook vaak een bredere criminele carrière. Zij
waren meestal geen pure zedenspecialisten, maar pleegden ook andere soorten
delicten.
De belangrijkste conclusie is dat jeugdige en volwassen zedendelinquenten
grotendeels verschillende groepen zijn.
Resultaten: continuïteit van zedendelinquentie
Er is wel enige continuïteit, maar die is beperkt. Jeugdige zedendelinquenten hebben
een verhoogde kans om later volwassen zedendelinquent te worden, maar de
absolute kans blijft laag.
Belangrijke cijfers:
- van de eenmalige jeugdige zedendelinquenten werd 3,0 procent later
volwassen zedendelinquent;
- van de jeugdige seksuele recidivisten werd 12,3 procent later volwassen
zedendelinquent;
- slechts ongeveer 4,5 procent van de volwassen zedendelinquenten was eerder
jeugdige zedendelinquent.
Daarmee wordt duidelijk dat de meeste jeugdige zedendelinquenten niet seksueel
doorgaan, en dat de meeste volwassen zedendelinquenten pas in de volwassenheid
als zedendader in beeld komen.
Resultaten: aandeel in volwassen zedendelicten
De meeste zedendelicten in de volwassenheid werden gepleegd door personen die in
de jeugd geen zedendelict hadden gepleegd. Personen zonder jeugdige
zedenregistratie waren verantwoordelijk voor ruim 91 procent van de volwassen
zedendelicten.
Tegelijkertijd laten de auteurs zien dat chronische jeugddelinquenten een belangrijke
risicogroep vormen. Zij hadden vaak geen jeugdige zedenregistratie, maar pleegden
later wel zedendelicten. Dit wijst erop dat volwassen zedendelinquentie soms
voortkomt uit algemene, langdurige delinquentie in plaats van uit eerdere
zedendelinquentie.
Drie hoofdgroepen
De auteurs onderscheiden uiteindelijk drie belangrijke patronen.
1. Adolescentie-gelimiteerde zedendelinquenten (JSO)
Dit is de grootste groep. Zij plegen een zedendelict in de jeugd, maar worden later
niet opnieuw voor een zedendelict geregistreerd.
Voor deze groep geldt dat het zedendelict meestal tijdelijk is en samenhangt met
adolescent gedrag, impulsiviteit of bredere jeugddelinquentie. Bij interventie moet
daarom niet automatisch worden uitgegaan van blijvend seksueel gevaar.