Gunstige effecten van zelfmanagement zijn onder meer: het verkrijgen van meer
autonomie, zelfvertrouwen, een betere levenskwaliteit en een meer optimale
participatie.
Zelfmanagement is het vermogen van een patiënt om om te gaan met
lichamelijke, psychische en sociale consequenties van een aandoening/beperking
en bijbehorende aanpassingen in leefstijl, in samenhang met de sociale
omgeving. Zelfmanagement betekent dat patiënten zelf kunnen kiezen in
hoeverre men de regie over het leven in eigen hand wil houden en mede richting
wil geven aan hoe beschikbare zorg wordt ingezet.
Zelfmanagementondersteuning is het systematisch geven van educatie en
ondersteunende interventies aan patiënten (en eventueel hun familie en sociaal
netwerk) zodat patiënten in het dagelijks leven met de gevolgen van hun ziekte
kunnen omgaan (op lichamelijk, mentaal en sociaal gebied). Daarbij ontwikkelt de
patiënt vaardigheden en het vertrouwen om gezondheid bevorderend gedrag in
stand te kunnen houden voor de rest van het leven.
Factoren die invloed kunnen hebben op het zelfmanagement
- Perceptie van de ziekte, aandoening of het letsel
- Perceptie van de therapie
- Motivatie
- Gedrag gerelateerd aan fysieke activiteit
- Sociale ondersteuning en begeleiding
- Omgevingsfactoren
- Factoren die specifiek zijn voor een ziekte of aandoening
- Gezondheidsvaardigheden
- Coping
5A-model
Achterhalen: wensen, behoeften, voorkeuren en beperkingen van de patiënt zijn
om te kunnen inschatten wat nodig.
Adviseren: educatie met als doel de gedachten of het gedrag van de patiënt in
relatie tot gezondheid in positief opzicht te veranderen.
Afspreken: doelen worden gesteld relevant voor zelfmanagement.
Assisteren: instructie, oefenen en/of demonstratie van specifieke handelingen,
taken of activiteiten. Werkzame factoren om eigen regie en zelfredzaamheid te
bevorderen.
Arrangeren: vergroten van sociale en maatschappelijke steun.
- Motivational Interviewing (MI)
- Problem Solving Therapy (PST)
- Acceptance and Commitment Therapy (ACT)
, - Solution-Focussed Brief Therapy (SFBT)
KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische
dossiervoering
Hoofddoelen
- Het ondersteunen van het eigen
handelen van de fysiotherapeut,
vastgelegd in overleg en in
samenspraak met de patiënt,
gebaseerd op wettelijke kaders en
relevantie met betrekking tot het
fysiotherapeutisch klinisch
redeneren
- Het borgen van de continuïteit van
de behandeling
- Gegevensoverdracht naar de
patiënt en andere zorgprofessionals
Welke gegevens ten minste genoteerd
moeten worden in een dossier
- Gegevens die essentieel zijn in het
kader van beslismomenten die
voortvloeien uit het
fysiotherapeutisch klinisch
redeneren
- Gegevens in het kader van
samenwerking met en overdracht
van gegevens aan: collega’s
(continuïteit van zorg), verwijzers,
patiënten en andere zorgverleners.
Verplichtingen rechten WGBO
- Informatieplicht
- Toestemmingsvereiste
- Dossierplicht
- Bewaarplicht
- Vernietigingsrecht
- Recht op inzage
- Geheimhoudingsplicht
Informatieplicht naar de patiënt
- De aard en het doel van het
onderzoek of de behandeling
- De fysiotherapeutische diagnose
- Het behandelplan
, - Het te verwachten risico voor de gezondheid
- De eventuele alternatieven
- De prognose
(Verdere toelichting in de richtlijn)
KNGF-richtlijn Reumatoïde artritis
Pathofysiologie
Reumatoïde artritis (RA) is een chronische, systemische ontstekingsziekte met
onbekende oorzaak (vermoedelijk raakt het afweersysteem ontregeld door een
samenspel van erfelijke aanleg en omgevingsfactoren, zoals roken of een infectie.
Bij beide komen ontstekingseiwitten vrij, die onder andere ontstekingen in de
gewrichten veroorzaken), vaak in de perifere gewrichten. De structuren rondom
de gewrichten zijn vaak aangedaan, zoals peesscheden, slijmbeurzen en
aanhechtingsplaatsen van spieren. Omdat RA een systeemaandoening is, kunnen
ook organen, zoals huid, hart en longen betrokken zijn.
Kenmerkend is de ontsteking en verdikking van het synoviale weefsel. Dit
hypertrofisch synovium wordt pannus genoemd en veroorzaakt pijn, zwelling en
stijfheid en dus bewegingsbeperkingen. Daarnaast zijn ochtendstijfheid,
vermoeidheid, vermindering van spierkracht, spieruithoudingsvermogen en het
aerobe vermogen veel voorkomend. Het synovium vormt de bekledende laag in
de delen van het gewricht die niet met kraakbeen zijn bedekt en voorziet
avasculaire structuren van voedingsstoffen. Het zit ook in de peesscheden en de
bursae. Waar dit ontstekingsweefsel lokaal ingroeit in de overgang tussen
synovium en kraakbeen ontstaat schade aan kraakbeen en bot, een botdestructie
die uiteindelijk leidt tot erosies van het bot. Ook treedt diffuse afbraak van het
kraakbeen op. Dit komt door de enzymen die het ontstoken synovium produceert.
Er is sprake van een verstoorde aanmaak van kraakbeen. Dit alles resulteert in
een minder dikke kraakbeen laag. Comorbiditeiten komen veel voor bij RA.
Diagnose > Door een reumatoloog. 80-90% door bloedonderzoek. Verder via
röntgenfoto’s
Kijk voor het onderzoek de richtlijn
Behandeling > Medicatie (ontstekingsremmers disease modifying anti-rheumatig
drugs), operatie (gewricht vervangend en correcties van deformiteiten)
Beloop >Bij ongeveer 30-60% van de patiënten is weinig tot geen ziekteactiviteit
(remissie), terwijl bij 5% een ernstig beloop met persisterende
ontstekingsactiviteit optreedt, die leidt tot structurele schade aan de gewrichten.
Bij de overige patiënten wisselen perioden van hoge en lage ziekteactiviteit
elkaar af.
Anamense > kijk oranje vlak
Lichamelijk onderzoek > kijk oranje vlak
Indicatiestelling
, 1: voorlichting, advies en instructies voor voornamelijk zelfstandig uit te voeren
oefeningen. Info over oefenen/bewegen, de ziekte (beloop, gevolgen, enz.). Over
behandelopties, een actieve leefstijl en hulp.
2: voorlichting, advies, instructie en oefentherapie met kortdurende begeleiding.
3: voorlichting, advies, instructie en oefentherapie met intensieve en/of
langdurige begeleiding bij patiënten met risicofactoren, ernstige gewrichtsschade
en gewrichtsdeformaties. Aanwezigheid van gele vlaggen, een hoog
ziekteactiviteit of laag fysiek functioneren.
Contra-indicaties > koorts, een wervelfractuur, artrogene instabiliteit van de
cervicale wervelkolom, een recente peesruptuur (in de regio).
Rode vlaggen > kijk oranje vlak
Behandeling > voorlichting en adviseren voor zelfmanagement en gezonde
leefstijl. Oefentherapie gericht op spierkracht, aerobe vermogen en functionele
oefeningen per indicatie.
1: 3-6 begeleid, in 3-6 maanden. Daarnaast zelfstandig. Voorlichting en advies.
2: 2x per week begeleidt en ernaast zelfstandig. Begeleiding afbouwen en ook
voorlichting en advies
3: Stem de frequentie, intensiteit en duur van de oefentherapie, behalve op de
hulpvraag van de patiënt, ook af op de complexiteit van de problematiek.
Frequentie: spierkracht > Bij voorkeur dagelijks, min, twee dagen per week.
Specifieke spiergroep en herstelperiode van 48 uur. Aerobe oefeningen > Bij
voorkeur dagelijks, min. vijf dagen per week gedurende 30 minuten per keer.
Functionele oefeningen > Bij voorkeur dagelijks, min. twee dagen per week.
Botversterkende oefeningen. Stem de opbouw af op de belastbaarheid van de
patiënt
Intensiteit: Spierkrachttraining: 60-80% van 1 RM ( Borg-score 14-17) voor
mensen die gewend zijn aan krachttraining. 50-60% van 1RM (Borg-score 12-13)
voor mensen die niet gewend zijn aan krachttraining. 2 tot 4 sets van 8-15
herhalingen en 30-60 sec pauze tussen de sets. Aerobe training> > 60% van de
maximale hartfrequentie (Borg-score 14-17) voor mensen die gewend zijn aan
aerobe training. 40-60% van de maximale hartfrequentie (Borg-score 12-13) voor
mensen die niet gewend zijn aan aerobe training.
Type: Kies voor oefeningen waarbij meerdere spiergroepen en meerdere
gewrichten betrokken zijn en voor activiteiten waarbij matig- tot hoogintensief
getraind kan worden, zoals lopen, fietsen, zwemmen, roeien en oefenen op de
crosstrainer.
Duur: 3-6 maanden. Zelfstandig verder.