Hoorcollege 1:
Vraag 1: Wat is GEEN identificatie factor bij abnormaal gedrag?
A. Individu
B. Tijdsgeest
C. Geslacht
D. Ontwikkelingsnorm
Vraag 2: Een 8-jarig kind is nooit zindelijk geworden en plast nog steeds regelmatig in zijn bed en
broek. Hoe wordt deze afwijking van de norm genoemd?
A. Ontwikkelingsvertraging
B. Aanhoudend gedrag
C. Regressie
D. Plotselinge verandering in gedrag
Vraag 3: Welk scenario hoort bij het chronosysteem van het transactioneel en ecologisch
model?
A. Ouders praten met school over de toekomst van het onderwijs van hun kind
B. Afspreken met leeftijdsgenoten
C. Het studeren op de universiteit na afronding van de middelbare school op VWO niveau
D. De oma van een kind overlijdt
Vraag 4: Vul in. Een proximale factor staat ___1___ een kind en is voornamelijk een risicofactor bij
___2___ kinderen.
A. (1) dichtbij, (2) oudere
B. (1) dichtbij, (2) jongere
C. (1) ver weg van, (2) oudere
D. (1) ver weg van, (2) jongere
Vraag 5: Bij welk van de modellen van ontwikkelingspsychopathologie hoort de object relatie
theorie?
A. Cognitieve modellen
B. Psychoanalytisch model
C. Gezinssysteemtheorie
D. Medisch model
Vraag 6: Wat is assimilatie volgens Piaget?
A. Nieuwe informatie negeren, omdat het niet in een bestaand schema past
B. Bestaande schema’s toepassen op een nieuwe situatie
C. Bestaande schema’s bevestigen aan de hand van een nieuwe situatie
D. Bestaande schema’s aanpassen om te kunnen toepassen in een nieuwe situatie
Hoorcollege 2:
Vraag 7: Wie legde de empirische basis voor ontwikkelingspsychopathologie?
A. Minuchin
B. Cicchetti
C. Bateson
, D. Piaget
Vraag 8: Wat is de juiste uitleg van een risicofactor?
A. Gevoeligheid voor een negatieve omgeving
B. Ondanks blootstelling aan een negatieve omgeving is er door een risicofactor sprake van
een positieve uitkomst
C. Een risicofactor vergroot de kans op het ontwikkelen van psychopathologie
D. Een risicofactor vergroot de kans op normale ontwikkeling
Vraag 9: Vul in. Er is onderzoek gedaan naar de invloed van armoede op schoolprestaties, IQ zou
hierin een ____ factor zijn.
A. Voldoende
B. Noodzakelijke
C. Mediatie
D. Moderatie
Vraag 10: Een kind toont op 5-jarige leeftijd separatie angst. Op 20-jarige leeftijd toont hij
gegeneraliseerde angst en paniekaanvallen. Welke continuïteit hoort hierbij?
A. Heterotypische continuïteit
B. Homotypisch continuïteit
C. Cumulatieve continuïteit
D. Contemporary continuïteit
Hoorcollege 3:
Vraag 11: Tijdens een therapiesessie wordt door de therapeut gevraagd om een situatie uit te
spelen in een soort toneelstukje. Welke techniek gebruikt de therapeut hier?
A. Enactment
B. Circulariteit
C. Communicatie
D. Metacommunicatie
Vraag 12: Wat is een genogram?
A. Vragenlijst over sociale kring
B. Overzicht van familierelaties
C. Overzicht van sociale kring
D. Vragenlijst over familie
Vraag 13: Een therapeut nodigt gesprekken uit over een probleem en laat de patiënten inzien dat
de relatie in de familie verstoort is, maar dat er ook genezing mogelijk is. Welke taak van de
Attachment Based Family Therapy (ABFT) wordt hier uitgelegd?
A. Relationele herformulering
B. Alliantie met ouders
C. Corrigerende hechtingservaring
D. Autonomie ondersteunen
Hoorcollege 4:
Vraag 14: Wat is het verschil tussen vrees en angst?
A. Vrees duurt langer dan angst