Je kunt rechtsnormen definiëren: Een rechtsnorm is een norm dat aangeeft wat mensen en
organisaties behoren te doen. Een rechtsnorm hoeft niet altijd in overeenstemming te zijn met
het moraal. Zo is liegen tegen je partner moreel gezien niet goed, maar het recht vindt er niets
van. Rechtsnormen en morele normen kunnen wel overlap vertonen. Rechtsnormen en morele
normen vertonen soms overlap bij bijvoorbeeld moord, diefstal en verkrachting (met
uitzondering daargelaten). Aan de andere kant kunnen rechtsnormen ook moreel neutraal zijn
(welke kant van de weg rijden). Rechtsnormen bevinden zich als het ware tussen feitelijk gedrag
en morele normen. Feitelijk gedrag hoeft niet per se in overeenstemming te zijn met een
relevante rechtsnorm. Anderzijds geldt voor het positieve recht dat dit niet altijd moreel
aanvaardbaar is (denk aan de art. 26 Awir inzake de toeslagenaffaire).
Je hoeft bij het toetsen van rechtsnormen niet altijd terug te grijpen op moraal, want je
kunt rechtsnormen toetsen op basis van het recht zélf: dit komt doordat het recht velerlei
rechtsnormen bevat die de basiswaarden van een rechtsorde uitdrukken; ofwel de wet is niet
zomaar een verzameling losse regeltjes, maar een weerspiegeling van de fundamentele waarden
die de gemeenschap belangrijk vindt om als rechtsorde te functioneren.
Je kunt diverse rechtsbronnen onderscheiden: Een rechtsbron zijn in feite de feiten, procedures
en gebeurtenissen waaruit rechtsnormen voortkomen. Er worden 7 rechtsbronnen behandeld:
Wetgeving: De wet is een rechtsnorm met twee kenmerken: zij is algemeen en is afkomstig van
een instantie die bevoegd is wetten te maken. Algemeen wil zeggen dat een wet van toepassing
is op een onbepaald aantal burgers, organisaties en situaties. Een wet(sartikel) geldt niet op één
zeer specifieke locatie, maar overal in een bepaald gebied. Algemeenheid wil niet zeggen dat een
wet geldig is in heel Nederland, maar het kan ook geldig zijn in één gemeente of in alle lidstaten
van de Europese Unie. Anderzijds betekent “onbepaald” niet altijd alle burgers, maar soms een
specifieke groep (ouderen, jongeren, vissers op Noordzee). De vaststelling van wetten geschiedt
door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk (art. 81 Grondwet (Gw)). Deze zijn
verantwoordelijk voor de wetgeving in formele zin, ook wel formele wetten. Op het niveau van
de rijksoverheid zien we: de regering (Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s)) en de
minister (ministeriële regelingen). De provincie (provinciale vorderingen) en de gemeente
(algemene plaatselijke vorderingen) zijn bevoegd tot wetgeving (art. 127 Gw). Dus op volgorde,
hiërarchisch: (1) Staten-Generaal en regering (formele wetgeving), (2) regering (AMvB’s) en
minister (ministeriële regelingen) en (3) de provincie (provinciale vorderingen) en de
gemeente (algemeen plaatselijke vorderingen). Hoe wordt een wet dan gevormd?
,1) Wetsvorming in formele zin vangt aan met een voorstel van een minister of staatssecretaris
(regeringsvoorstel) of van een lid van de Tweede Kamer (initiatiefvoorstel). De leden van de
Eerste Kamer hebben geef recht van initiatief (art. 82 Gw). 2) De Raad van State (RvS) geeft
advies over de uitvoerbaarheid en rechtmatigheid van het voorstel en voorziet dit advies van
een Memorie van Toelichting (MvT). Dit advies en de MvT wordt door de TK behandeld. Leden
van de TK kunnen amendementen voorstellen (art. 84 Gw). 3) Nadat de TK heeft gestemd over
het wetsvoorstel en het inclusief eventuele amendementen heeft aangenomen, wordt het
behandeld in de Eerste Kamer. 4) Nadat het voorstel is aanvaard door de EK en TK,
ondertekenen de verantwoordelijke minister en de Koning de wet en volgt publicatie in het
Staatsblad (art. 87 en 88 Gw).
De Eerste Kamer heeft geen recht van amendement, maar in de praktijk kan deze wel
wijzigingen voorstellen d.m.v. de zogenaamde novelle. De Eerste Kamer stelt de plenaire
behandeling uit of schorst deze totdat de TK een aanpassing (de novelle) heeft aanvaard; een
amendement is een voorstel tot wijziging of aanvulling van een bestaand document, zoals een
wetsvoorstel.
De Staten-Generaal zijn niet direct betrokken bij AMvB’s en ministeriële regelingen, tenzij de
formele wet waarop de AMvB is gebaseerd, bepaalt dat de Kamers goedkeuring moeten
verlenen.
Normaal mag de regering alleen regels maken als een wet zegt dat ze dat mogen. Er bestaat een
uitzondering (zelfstandige AMvB’s) (art. 89 lid 2 Gw), maar die worden in principe niet
gebruikt, want het is democratisch onwenselijk dat de regering zélf strafregels maakt zonder
toestemming van de wetgever. Alleen in zeldzame noodsituaties wordt dit nog toegestaan (art
2.22 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). De Staten-Generaal controleren de regering,
want ministers en staatssecretarissen zijn verantwoording verschuldigd aan de
volksvertegenwoordiging (art. 42 lid 2 en art. 68 Gw).
Buiten Nederland vormt de Europese Unie de wetten en deze heten verordeningen, richtlijnen
en besluiten (art. 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)). Deze
wetten worden, al dan niet na een vertaalslag, binnen Nederland ook geldig. Verordeningen
hebben een ‘algemene strekking’, zijn ‘verbindend in al haar onderdelen’ en ‘rechtstreeks
toepasselijk in elke lidstaat’ (art. 288 VWEU), ofwel verordeningen gelden onverkort in elke
lidstaat van de EU en ze zijn onderdeel van de nationale rechtsordes. De nationale wetgever mag
de verordeningen niet aanpassen, maar wel nader concretiseren. Verordeningen zijn direct
geldig voor alle lidstaten van de EU. De AVG is hiervan een voorbeeld.
Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor
zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen
te kiezen. De nationale wetgever moet de richtlijn dus zodanig vertalen naar een nationale wet,
,zodat het beoogde resultaat behaald wordt (dit is verplicht). Besluiten zijn ‘verbindend in al
haar onderdelen’ en bevatten vaak algemene regels (art. 288 VWEU). Het verschil is dat
besluiten vaak specifieker zijn, zoals concretisering van een veroordeling.
Jurisprudentie: Dit is rechtersrecht, ofwel de rechter die zelf het recht maakt. Hier zijn twee
redenen voor: belangenafweging en interpretatie. Interpretatie is noodzakelijk wanneer de
betekenis van een of meer woorden in de wet onduidelijk zijn. Belangenafweging is het proces
waarbij de rechter verschillende, vaak tegenstrijdige, belangen die in een geschil spelen tegen
elkaar afzet om tot een billijke beslissing te komen. Een voorbeeld van belangenafweging: Art.
7:671b lid 9 sub c BW zegt dat de kantonrechter een billijke vergoeding kan verlenen aan een
ontslagen werknemer indien het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of
nalaten van de werkgever. Dit vergt een belangenafweging, waarbij de rechter factoren zoals
leeftijd, kansen op de arbeidsmarkt, duur van het dienstverband en hoogte van het loon
meeweegt. De rechter is vrijwel altijd genoodzaakt om tot belangenafweging over te gaan
wanneer fundamentele rechten in het geding zijn; vaak maatschappelijke belangen zoals
volksgezondheid en openbare veiligheid.
Precedentwerking is de nieuwe rechtsregel die de rechter heeft geformuleerd om een
voorliggend geschil op te lossen, en wordt in vergelijkbare gevallen overgenomen door andere
rechters. Dit is niet verplicht, maar wel gebruikelijk. Nederland heeft een mild
precedentenstelsel: een eerdere uitspraak wordt in beginsel gevolgd, zeker als deze uitspraak
gedaan is door de Hoge Raad (HR), de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(ABRvS), of de Centrale Raad voor Beroep (CRvB) of het College van Beroep voor het
Bedrijfsleven (CBb). Als rechtspraak gedaan wordt zonder het precedent te volgen van een van
de hoogste rechters, is het vrijwel zeker dat men in hoger beroep of cassatie gaat en dit zal dan
een voorspelbaar resultaat opleveren.
Jurisprudentie gebeurt op alle rechterlijke niveaus en vaak wordt de basis gelegd door
feitenrechters. Art. 12 Wet algemene bepalingen (Wet AB) uit 1822 zegt dat een rechter vanuit
het principe legaliteit gebonden zijn aan de wet en mogen geen wetgevende macht uitoefenen.
Het voorkomt dat rechters op eigen initiatief algemene normen creëren die buiten hun
bevoegdheid vallen. Jurisprudentie (rechtersrecht) is heel relevant wanneer de wet
ogenschijnlijk niet van toepassing is op een bepaald geschil. Aangezien de rechter de
verplichting heeft om uitspraak te doen (want anders wordt hij vervolgd, zie art. 13 Wet AB), zal
de rechter recht vormen om toch uitspraak te doen. Jurisprudentie vormt een leidraad voor
rechters bij geschillen die niet volledig door de wet worden gedekt. Art. 6 Europees Verdrag tot
bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zegt ook dat
eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak ‘binnen een redelijke
termijn’. Zodra er jurisprudentie bestaat over een bepaalde wet, volgen rechters deze in latere
, gevallen, zodat onduidelijkheid wordt voorkomen en er geen nieuwe prejudiciële vragen hoeven
te worden gesteld.
Gewoonterecht: Rechtsnormen die ontstaan uit gewoonte. Dit gewoonterecht voldoet aan twee
voorwaarden: usus (praktijk) en opinio juris sive necessitas. Beide moeten waar zijn. De regel
wordt in de praktijk gevolgd (usus) door een bepaalde groep natuurlijke en rechtspersonen. Zij
is een bestendige gedragslijn, een gebruik, een uniforme praktijk. Natuurlijke en rechtspersonen
zijn ervan overtuigd dat zij deze gedragslijn rechtens behoren te volgen (opinio juris sive
necessitas) en dat tegen afwijkingen van de gedragslijn mag of moet worden opgetreden.
Gewoonterecht komt niet vaak voor. In Nederland is de vertrouwensregel een belangrijke vorm
van gewoonterecht, ofwel dat een minister, staatssecretaris of het kabinet in zijn geheel moet
aftreden als zij niet langer het vertrouwen geniet van de Tweede Kamer. Internationaal
gewoonterecht richt zich vaak op betrekkingen tussen staten; de rechtsovertuiging verwijst naar
de opvattingen van staten dat deze praktijk vereist is op basis van internationaal recht.
Verdragen: Verdragen zijn overeenkomsten tussen staten of tussen staten en internationale
organisaties, of tussen internationale organisaties onderling. Daarin kennen de partijen rechten
aan elkaar toe en gaan ze verplichtingen aan jegens elkaar. Internationale verdragen zijn een
bron van internationaal recht, maar verdragen zijn ook van belang in de Nederlandse
rechtsorde. Verdragen tussen twee partijen zijn bilateraal; tussen meerdere partijen
multilateraal. Verdragen die lijken op overeenkomsten in het burgerlijk recht noemen we
Traités-contrats. Verdragen die algemene regels vastleggen tussen partijen noemen we
Traités-lois, en zijn meestal multilateraal (bijv. Verdragenverdrag). Verdragen waarbij een
internationale organisatie wordt opgericht, noemen we Traités-constitutions. Deze opvattingen
fungeren als een soort grondwet van de organisatie. De meeste internationale verdragen hebben
geen directe rechtsgevolgen voor de verhouding tussen overheid en burger of tussen burgers
onderling in Nederland.
Besluiten van internationale organisaties: Internationale organisaties kunnen van de
verdragsluitende partijen de bevoegdheid hebben gekregen om juridische bindende
handelingen te verrichten (bijv. besluiten van Veiligheidsraad van de VN (art. 25 VN-Handvest)).
De internationale organisatie ontleent zijn regelgevende bevoegdheid aan het
oprichtingsverdrag (traités-constitution). De wetgevingshandelingen van de EU kunnen als
voorbeeld worden beschouwd van zowel de rechtsbron wetgeving als de rechtsbron besluiten
van internationale organisaties (zie besluiten in art. 288 VWEU).
Algemene rechtsbeginselen: Rechtsbeginselen hebben een evaluatief karakter (1), ze wijzen in
de oplossingsrichting (2) en ze hebben een zeker gewicht (3). Rechtsbeginselen hebben een
evaluatief, moreel karakter. Het betreft de principiële hoekstenen van de rechtsorde, de
algemene normatieve uitgangspunten waarop deze is gebaseerd (bijv. billijkheid, redelijkheid,