Cognitie en Persoonlijkheid
(CCP)
Bachelor Psychologie – Forensische Psychologie
Tilburg University
170 oefenvragen verdeeld over alle hoorcolleges van Criminaliteit, Cognitie en
Persoonlijkheid.
Inclusief antwoordsleutels.
Deze bundel is zelfstandig samengesteld en geen officieel document van Tilburg University.
1
Steffie van de Ven
, Hoorcollege 1:
1) Welke uitspraak over agressie, geweld en criminaliteit is het meest correct?
A. Alle vormen van criminaliteit kunnen worden beschouwd als agressie.
B. Geweld is een specifieke vorm van agressie gericht op ernstige schade.
C. Agressie vereist niet dat het slachtoffer de schade probeert te vermijden.
D. Geweld en agressie verschillen uitsluitend in de wettelijke consequenties.
2) Welke bevinding levert het sterkste bewijs voor een genetische invloed op antisociaal
gedrag?
A. Geadopteerde kinderen lijken meer op hun adoptieouders dan op hun biologische ouders.
B. Twee-eiige tweelingen die samen opgroeien lijken sterk op elkaar in antisociaal gedrag.
C. Eeneiige tweelingen lijken meer op elkaar in antisociaal gedrag dan twee-eiige tweelingen.
D. Kinderen uit dezelfde buurt vertonen vergelijkbare niveaus van antisociaal gedrag.
3) Welke combinatie van gedeelde genen en gedeelde omgeving is correct?
A. Eeneiige tweelingen apart opgegroeid: 50% genen, 0% omgeving.
B. Twee-eiige tweelingen samen opgegroeid: 50% genen, 100% omgeving.
C. Geadopteerde kinderen: 50% genen, 100% omgeving.
D. Eeneiige tweelingen samen opgegroeid: 100% genen, 50% omgeving.
4) Welk voorbeeld past het beste bij de evolutionaire benadering van antisociaal gedrag?
A. Impulsiviteit ontstaat doordat kinderen agressieve ouders imiteren.
B. Agressie ontstaat uitsluitend door afwijkingen in de prefrontale cortex.
C. Sensatiezucht kan behouden zijn gebleven omdat het evolutionaire voordelen bood.
D. Gewelddadig gedrag wordt volledig verklaard door sociale uitsluiting.
5) Welke bevinding wordt het meest direct geassocieerd met het biopsychologische
model?
A. Antisociaal gedrag wordt versterkt door observatie van rolmodellen.
B. Verminderde activiteit in de prefrontale cortex hangt samen met impulsief gedrag.
C. Delinquente peers vergroten de kans op antisociaal gedrag.
D. Risicofactoren stapelen zich op gedurende de ontwikkeling.
6) Volgens sociale leermodellen zal antisociaal gedrag vooral toenemen wanneer:
A. het gedrag genetisch bepaald is.
B. het gedrag wordt bestraft door belangrijke anderen.
C. het gedrag zichtbaar succes of beloning oplevert.
D. het kind weinig blootstaat aan sociale interacties.
7) Welk van onderstaande factoren geldt als beschermende factor binnen sociale
ontwikkelingsmodellen?
A. Inconsistente discipline.
B. Delinquente vrienden.
C. Lage cognitieve vaardigheden.
D. Betrokken ouderschap.
2
Steffie van de Ven