Samenvatting examen T4!
Communicatieve vaardigheden.
Thema 25: Lid zijn van een team.
Een team is een kleiner samenwerkingsverband van mensen die met bepaalde
middelen en deskundigheid tegen betaling aan een gemeenschappelijk doel
werken.
Een school is een arbeidsorganisatie. Een werkt volgens de doelstellingen van de
organisatie. Bij een arbeidsorganisatie heb je sociale verplichtingen en kan je niet
zomaar stoppen.
Als een school een team samenstelt, is er nogal wat om op te letten. Behalve naar
de voorwaarden moet de school kijken naar de werkstijlen en teamrollen van de
leden. Voor het goed functioneren van een team is bovendien de samenhang erg
belangrijk.
25.2 voor en nadelen van een team:
Voordelen.
Ondersteuning door teamgenoten-> iemand die even niet kan meekomen, kan een
stapje terug doen. Iemand die tijd over heeft kan dan weer wat extra’s doen. Ook
kan het heel gezellig zijn. In een leuk team werken geeft energie en leidt tot
motivatie.
Pieken in de drukte samen opvangen-> als er bijvoorbeeld veel zieken zijn dan lossen
ze het als een team op.
Meer deskundigheid-> alle leden hebben specifieke deskundigheden. Al die
deskundigheid samen kunnen betekenen dat een team alles in huis heeft.
Nadelen.
Samenwerking in kwetsbaar-> een goede samenwerking kan verslechteren door
wrijvingen en problemen. Niet elk wissewasje hoeft gevolgen te hebben voor de
samenwerking.
Beperking van vrijheid op gebied van beleidsontwikkeling -> werken in een team
beperkt de vrijheid van beleidsbepaling. Dus niet 1 iemand beslist maar een heel
team.
Beperking van individuele vrijheid-> als jij het ergens niet mee eens bent zou je je
toch moeten aanpassen aan de rest.
Overleg kost veel tijd -> vergaderingen, werkoverleg, intervisie en werkbegeleiding
kosten veel tijd en geld.
25.3 voorwaarden voor samenwerking in een team.
Gezamenlijk doel is duidelijk.
Voor alle leden moet het doel dat ze nastreven duidelijk zijn. Al er onduidelijkheid is
dan ontstaat er verwarring. Dat leidt tot discussie en irritaties.
Teamleden zijn deskundig en bekwaam.
Een goed team bouwen met incapabele mensen is onmogelijk. Het is belangrijk dat
het team uit gevarieerde deskundige bestaat. Zo hoeft niet iedereen overal va n op
de hoogte te zijn. Ze hebben allemaal hun eigen inbreng.
,Teamleden hebben een duidelijke functieomschrijving.
Teamleden moeten niet alleen een duidelijke functieomschrijving hebben, ze
moeten zich er ook aan houden en ze moeten accepteren dat een leidinggevende
het werk controleert.
De onderlinge verhoudingen zijn functioneel.
Een sfeer waarin mensen zichzelf kunnen zijn en zich prettig vinden, is een van de
belangrijkste punten voor het werken in een team.
Gemotiveerde teamleden.
De individuele teamleden moeten binnen de onderwijsdoelen ook eigen doelen
kunnen realiseren. Met mensen die alleen door hun salaris worden gemotiveerd is
moeilijk samen te werken.
Deze voorwaarden bij elkaar noem je de fundering.
25.4 de samenstelling van een team.
Twee eigenschappen zijn van belangrijk bij teamleden: hun deskundigheid en
karaktereigenschappen. Teams kunnen symmetrisch of complementair
samengesteld zijn. Bij deze teams zie je juist verschillende werkstijlen en teamrollen bij
elkaar. Meestal functioneren complementaire teams beter.
Symmetrisch: op basis van overeenkomsten.
Complementair: op basis van elkaar aanvullen, verschillen dus.
25.5 Werkstijlen.
Ieder teamlid heeft een andere stijl van werken met eigen sterkte en zwakke punten.
Een werkstijl wordt onder andere gekenmerkt door de manier waarom iemand
plannen maakt. Problemen benadert, oplossingen zoekt en beslissingen neemt.
Er zijn vier werkstijlen:
Dromer: creatief maar besluiteloos.
Denker: theoretisch, ideen niet altijd bruikbaar.
Beslisser: praktisch en soms minder sociaal vaardig.
Doener: Actief en soms ongeduldig.
25.6 Teamrollen.
Een rol heeft te maken met de karakteristieke manier waarop een teamlid zijn
eigenaardigheden en kwaliteiten inzet voor het team. In een team kun je acht
teamrollen onderscheiden.
De voorzitter: is stabiel, nuchter en extravert.
De vormer: onrustig, extravert en snel gefrustreerd.
De planter: intelligent, introvert, creatief en kritisch.
De waarschuwer: stabiel, introvert en kritisch.
De organisator: zet beslissingen om in concrete werkzaamheden. Beheerst en
gedisciplineerd.
, De groepswerker: sociaal, extravert, niet overheersend en ondersteunt en
stimmuleert.
De bronnenonderzoeker: dominant en extravert. Legt veel contacten en is gezellig
en ontspannen.
De afmaker: rustig en introvert.
Deze rollen ontstaan vanzelf in het proces.
25.7 de samenhang in een team.
De onderlinge samenhang, ook wel cohesie genoemd, in een team is van groot
belang voor het functioneren.
Factoren die samenhang bevorderen:
Signalen hiervan zijn: trots, solidariteit, teamgeest, samenwerking en onderling
vertrouwen.
Deze verschijnselen versterken elkaar.
Factoren die de samenhang in een team afbreken:
- Er vormen zich subgroepen binnen de groep die elk hun eigen weg willen
gaan.
- Een te grote betrokkenheid op elkaar.
- Er is zakelijke onenigheid over de aanpak van iets.
- De groep slaagt er niet in de doelstelling te halen.
Thema 15
Leerstijlen:
Ieder kind is anders. Daarom hebben ze hun eigen leerstijl.
Manieren van leren:
Je kunt nagaan of een leerling beter leert door het woord te zien of te horen.
- Door de woorden te horen.> wordt veel gebruikt.
- Door de woorden te lezen.
- Door dingen te zien
- Horen zien en lezen combineren.
Mensen hebben een natuurlijke voorkeur. Niet iedereen leert op dezelfde manier.
Visueel: zien
Auditief: gehoor
Tactiel: met de handen
Leerstijlen van Kolb:
Kolb gaat uit van, waar je van nature toe geneigd bent. Kijken en doen, denken en
voelen.
Op grond van deze vier natuurlijke voorkeuren, benoemt kolb vier leerstijlen.
- Doener, doen en voelen.
- Observeerder, kijken en voelen.
- Theoreticus, kijken en denken.
- Pragmaticus, doen en denken.
Communicatieve vaardigheden.
Thema 25: Lid zijn van een team.
Een team is een kleiner samenwerkingsverband van mensen die met bepaalde
middelen en deskundigheid tegen betaling aan een gemeenschappelijk doel
werken.
Een school is een arbeidsorganisatie. Een werkt volgens de doelstellingen van de
organisatie. Bij een arbeidsorganisatie heb je sociale verplichtingen en kan je niet
zomaar stoppen.
Als een school een team samenstelt, is er nogal wat om op te letten. Behalve naar
de voorwaarden moet de school kijken naar de werkstijlen en teamrollen van de
leden. Voor het goed functioneren van een team is bovendien de samenhang erg
belangrijk.
25.2 voor en nadelen van een team:
Voordelen.
Ondersteuning door teamgenoten-> iemand die even niet kan meekomen, kan een
stapje terug doen. Iemand die tijd over heeft kan dan weer wat extra’s doen. Ook
kan het heel gezellig zijn. In een leuk team werken geeft energie en leidt tot
motivatie.
Pieken in de drukte samen opvangen-> als er bijvoorbeeld veel zieken zijn dan lossen
ze het als een team op.
Meer deskundigheid-> alle leden hebben specifieke deskundigheden. Al die
deskundigheid samen kunnen betekenen dat een team alles in huis heeft.
Nadelen.
Samenwerking in kwetsbaar-> een goede samenwerking kan verslechteren door
wrijvingen en problemen. Niet elk wissewasje hoeft gevolgen te hebben voor de
samenwerking.
Beperking van vrijheid op gebied van beleidsontwikkeling -> werken in een team
beperkt de vrijheid van beleidsbepaling. Dus niet 1 iemand beslist maar een heel
team.
Beperking van individuele vrijheid-> als jij het ergens niet mee eens bent zou je je
toch moeten aanpassen aan de rest.
Overleg kost veel tijd -> vergaderingen, werkoverleg, intervisie en werkbegeleiding
kosten veel tijd en geld.
25.3 voorwaarden voor samenwerking in een team.
Gezamenlijk doel is duidelijk.
Voor alle leden moet het doel dat ze nastreven duidelijk zijn. Al er onduidelijkheid is
dan ontstaat er verwarring. Dat leidt tot discussie en irritaties.
Teamleden zijn deskundig en bekwaam.
Een goed team bouwen met incapabele mensen is onmogelijk. Het is belangrijk dat
het team uit gevarieerde deskundige bestaat. Zo hoeft niet iedereen overal va n op
de hoogte te zijn. Ze hebben allemaal hun eigen inbreng.
,Teamleden hebben een duidelijke functieomschrijving.
Teamleden moeten niet alleen een duidelijke functieomschrijving hebben, ze
moeten zich er ook aan houden en ze moeten accepteren dat een leidinggevende
het werk controleert.
De onderlinge verhoudingen zijn functioneel.
Een sfeer waarin mensen zichzelf kunnen zijn en zich prettig vinden, is een van de
belangrijkste punten voor het werken in een team.
Gemotiveerde teamleden.
De individuele teamleden moeten binnen de onderwijsdoelen ook eigen doelen
kunnen realiseren. Met mensen die alleen door hun salaris worden gemotiveerd is
moeilijk samen te werken.
Deze voorwaarden bij elkaar noem je de fundering.
25.4 de samenstelling van een team.
Twee eigenschappen zijn van belangrijk bij teamleden: hun deskundigheid en
karaktereigenschappen. Teams kunnen symmetrisch of complementair
samengesteld zijn. Bij deze teams zie je juist verschillende werkstijlen en teamrollen bij
elkaar. Meestal functioneren complementaire teams beter.
Symmetrisch: op basis van overeenkomsten.
Complementair: op basis van elkaar aanvullen, verschillen dus.
25.5 Werkstijlen.
Ieder teamlid heeft een andere stijl van werken met eigen sterkte en zwakke punten.
Een werkstijl wordt onder andere gekenmerkt door de manier waarom iemand
plannen maakt. Problemen benadert, oplossingen zoekt en beslissingen neemt.
Er zijn vier werkstijlen:
Dromer: creatief maar besluiteloos.
Denker: theoretisch, ideen niet altijd bruikbaar.
Beslisser: praktisch en soms minder sociaal vaardig.
Doener: Actief en soms ongeduldig.
25.6 Teamrollen.
Een rol heeft te maken met de karakteristieke manier waarop een teamlid zijn
eigenaardigheden en kwaliteiten inzet voor het team. In een team kun je acht
teamrollen onderscheiden.
De voorzitter: is stabiel, nuchter en extravert.
De vormer: onrustig, extravert en snel gefrustreerd.
De planter: intelligent, introvert, creatief en kritisch.
De waarschuwer: stabiel, introvert en kritisch.
De organisator: zet beslissingen om in concrete werkzaamheden. Beheerst en
gedisciplineerd.
, De groepswerker: sociaal, extravert, niet overheersend en ondersteunt en
stimmuleert.
De bronnenonderzoeker: dominant en extravert. Legt veel contacten en is gezellig
en ontspannen.
De afmaker: rustig en introvert.
Deze rollen ontstaan vanzelf in het proces.
25.7 de samenhang in een team.
De onderlinge samenhang, ook wel cohesie genoemd, in een team is van groot
belang voor het functioneren.
Factoren die samenhang bevorderen:
Signalen hiervan zijn: trots, solidariteit, teamgeest, samenwerking en onderling
vertrouwen.
Deze verschijnselen versterken elkaar.
Factoren die de samenhang in een team afbreken:
- Er vormen zich subgroepen binnen de groep die elk hun eigen weg willen
gaan.
- Een te grote betrokkenheid op elkaar.
- Er is zakelijke onenigheid over de aanpak van iets.
- De groep slaagt er niet in de doelstelling te halen.
Thema 15
Leerstijlen:
Ieder kind is anders. Daarom hebben ze hun eigen leerstijl.
Manieren van leren:
Je kunt nagaan of een leerling beter leert door het woord te zien of te horen.
- Door de woorden te horen.> wordt veel gebruikt.
- Door de woorden te lezen.
- Door dingen te zien
- Horen zien en lezen combineren.
Mensen hebben een natuurlijke voorkeur. Niet iedereen leert op dezelfde manier.
Visueel: zien
Auditief: gehoor
Tactiel: met de handen
Leerstijlen van Kolb:
Kolb gaat uit van, waar je van nature toe geneigd bent. Kijken en doen, denken en
voelen.
Op grond van deze vier natuurlijke voorkeuren, benoemt kolb vier leerstijlen.
- Doener, doen en voelen.
- Observeerder, kijken en voelen.
- Theoreticus, kijken en denken.
- Pragmaticus, doen en denken.