Als opvoeden niet vanzelf gaat
Hoofdstuk 2 De geschiedenis van de orthopedagogiek
In de 18e eeuw liggen de belangrijkste wortels van de orthopedagogiek.
2.1 Geschiedenis van de zorg en opvoeding voor speciale kinderen
2.1.1 18e eeuw
In de 18e eeuw, de periode van de Verlichting, ontstond voor het eerst
belangstelling voor de opvoedbaarheid van ‘ontspoorden’ of
‘gehandicapten’. Voor die tijd waren er al wel weeshuizen en bestond er
zorg voor gehandicapte, verwaarloosde en misdadige kinderen, maar daar
lagen toen nog geen pedagogische motieven aan ten grondslag. Men
handelde vooral vanuit liefdadigheid of om de maatschappij tegen deze
kinderen te beschermen.
De belangstelling voor de opvoedbaarheid van kinderen hing samen met
een groeiend optimisme over de mens en zin mogelijkheden. Er ontstond
vertrouwen in kennis en wetenschap, dat in plaats kwam van het idee dat
de mens was voorbestemd voor een bepaald bestaand.
17e eeuw -> de mens kwam als tabula rasa, onbeschreven blad, op de
wereld, dus zonder aangeboren ideeën. (John Locke). De mens was
maakbaar.
De Verlichting leidde vervolgens tot hoge verwachtingen over de
mogelijkheden van vooruitgang door gebruik van de rede.
2.1.2 19e eeuw
In de 19e eeuw leidde dit tot toenemend pedagogisch optimisme. De
Heilpedagogiek (leer van de helende opvoeding) deed zijn intrede en er
kwamen leerboeken over de aanpak van opvoedingsproblemen. Aan het
eind van de eeuw kregen onderwijzers, pedagogen en psychologen een
steeds grotere invloed.
De opvang en verzorging van kinderen werd tot in de 20ste eeuw vooral
uitgevoerd door religieuze congregaties en liefdadigheidsinstellingen.
Deze werden in het algemeen onderhouden door rijken die zich verplicht
voelden om er iets voor te doen. Deze taak verschoof geleidelijk naar de
overheid, die daarmee de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en
verzorging van speciale kinderen op zich nam.
Het aantal instellingen dat zich bezighield met aangepaste opvoeding en
verzorging was nog op de vingers van 1 hand te tellen. Deskundigen
hadden een centrale plek in de hulpverlening die vaak ver van het gezin
plaatsvond.
,2.1.3 20ste eeuw
In de 20ste eeuw gingen deskundigen zich in toenemende mate richten op
het kind en op het ontwikkelen van kennis over en voorzieningen voor het
kind. Er was sprake van groeiend ‘pedagogisering’.
1901 -> Wet op de Leerplicht; vanaf 6 jaar was school verplicht en leidde
tot afname van de kinderarbeid. Kort hierna ontstonden de kinderwetten
(1905) die ingrijpen in het ouderlijk gezag mogelijk maakten.
Er kwamen consultatiebureau’s, schoolartsen en vakantiekolonies voor
‘bleekneusjes’ en ‘zenuwpeesjes’ uit de stad. Deze zorg was vooral gericht
op preventie van ziekten en om lichamelijk aan te sterken. Artsen
speelden in die tijd een belangrijke rol in pedagogische instellingen en in
het onderwijs.
Het belang van de medische wetenschap kwam ook tot uiting in namen als
Medisch Kleuterdagverblijf (MKD) en Medisch Opvoedkundig Bureau
(MOB).
1904 -> eerste intelligentietest door Binet en Simon. Hiermee deed de
trend zijn intrede om eigenschappen en ontwikkelingen te gaan meten en
bestuderen.
Pedagogen en psychologen namen de rol van artsen over en het accent
werd verlegd naar een ontwikkelingspsychologie en pedagogische
benadering.
Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw was er een toename in
professionalisering, specialisatie en differentiatie van hulp in de zorg voor
jeugd. De maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren zestig en zeventig
met het accent op democratisering en emancipatie versnelden deze
ontwikkelingen. Het deskundigenmodel maakte plaats voor het
participatiemodel, waarbinnen de verhoudingen steeds meer gelijkwaardig
werden. De toenemende mondigheid van cliënten kon leiden tot
onzekerheid bij de hulpverleners.
In de loop van de jaren 90 werd het uitgangspunt van de hulp
vraaggericht. Hierdoor nam de differentiatie in het aanbod toe, nog
versterkt door toegenomen kennis over wat in welke situatie de beste
vorm van hulp is en de behoefte om de hulp dichter bij huis te
organiseren.
De versnippering (weinig overzicht enz) is verschillende keren een van de
aanleidingen geweest voor hervorming van het jeugdzorgstelsel. De
orthopedagogische zorg is in die tijd uitgegroeid tot omvangrijke
zorgsystemen met een niet onaanzienlijke maatschappelijke relevantie in
termen van aanzien, kosten en werkgelegenheid.
,Politieke sturing maakte volgens Pijnenburg vooraf plaats voor politieke
controle achteraf en maakbaarheid werd omgezet naar beheersbaarheid.
Deze ontwikkelingen in de afgelopen 3 eeuwen zijn terug te zien in de zorg
voor 2 groepen kinderen:
- Kinderen met een beperking of stoornis
- Verwaarloosde of criminele kinderen
2.1.4 Kinderen met een beperking of stoornis
In de oudheid werden ze gedood en ook nog veel later, tijdens de Tweede
Wereldoorlog, werden ze omgebracht als ‘Untermenschen’. Over het
algemeen werden ze echter aan hun lot overgelaten. Ze hielden zich voor
zover mogelijk in leven door te bedelen, kwamen in de gevangenis terecht
en overleden vroeg. Vanaf de middeleeuwen ging men zich in de westerse
wereld steeds meer bekommeren om armen, zieken en gehandicapten.
Christelijke naastenliefde was daarvoor de voornaamste drijfveer.
Sinds het begin van de 17e eeuw werken ook ‘geestesgestoorden’ in
toenemende mate opgenomen in instituties. Op deze manier werden ze
afgezonderd van de maatschappij, wat ter bescherming diende van wat
maatschappelijk gezien als normaal werd beschouwd.
Vanaf de 18e eeuw ging men zich meer vanuit persoonlijke bewogenheid
en naastenliefde inzetten voor dove, blinde en gehandicapte mensen.
Hauy -> school voor blinden eind 18e eeuw.
1770 -> eerste dovenschool.
In NL startte Guyot in 1790 met opvoeding en het onderwijs voor dove
kinderen.
1784 -> eerste blindenschool. In NL in 1808
1855 -> idiotenschool van van Koetsveld. Een school voor de lichamelijke,
verstandelijke en zedelijke vorming van kinderen, die door gebrekkig of
verkeerd ontwikkeld geestesvermogen voor het gewone, zelfs lagere
onderwijs ongeschikt zijn. Van Koetsveld geloofde in de potentiële
ontwikkelingsmgelijkheden van de kinderen met wie hij werkte en ging uit
van ‘genezing door opvoeding’.
1962 -> boek Asylums van Goffman. De zogenaamde totale instituties. Bij
totale instituties zijn de grenzen tussen leefgebieden weggehaald. Alle
aspecten van het leven voltrekken zich op dezelfde plaats en onder
hetzelfde gezag. Hierdoor wordt volgens hem de persoonlijkheid van de
deelnemers aangetast of afgebroken, de persoonlijke veiligheid gaat
verloren en de privacy wordt geschonden. De deelnemers leven in een
, sfeer van extreme sociale controle en verliezen daarmee hun
mogelijkheden om eigen keuzes te maken en autonoom te handelen.
Vanuit de Scandinavische landen ontstond een tegenbeweging die
normalisatie voorstond. Dat betekende dat ernaar werd gestreefd om
personen met een verstandelijke beperking in een situatie te laten zijn die
de gewone omstandigheden van de samenleving zo dicht mogelijk
benadert en om hen een zo normaal mogelijk leven te laten leiden.
Het burgerschapsmodel kwam in de plaats van het medisch model. Nog
weer later werd gesproken van een inclusie, een visie die verder gaat dan
alleen normalisering.
Een inclusieve samenleving staat open voor verscheidenheid en
respecteert verschillen. De kijk op mensen met een beperking veranderde.
Beperkingen werden steeds minder gezien als eigenschap van een
individu en meer als gevolg van structuren binnen een samenleving die
mensen buitensloot. Die verandering kwam tot uiting in boeken.
Het accent werd verlegd naar geloof in mogelijkheden van mensen met
een verstandelijke beperking en het recht dat zij hebben om zelf vorm te
geven aan hun bestaan.
Dennendalaffaire: Dennendal was een ‘zwakzinnigeninrichting’ waar
mensen met een verstandelijke beperking waren geïnstitutionaliseerd en
een, volgends de huidige normen, mensonwaardig bestaan hadden. Was
psychologisch directeur hiervan en een symbool voor alternatief links in
Nederland. Muller initieerde kleine woongroepen waarin ruimte was voor
individuele wensen en karaktertrekken van patiënten. Deze
verdunningsgedachte zou in de daaropvolgende jaren het belangrijkste
strijdpunt voor Dennendal worden.
Binnen de psychiatrie ontstond in die tijd een vergelijkbare beweging
tegen de geïnstitutionaliseerde zorg, de zogeheten antipsychiatrie. De
veranderde maatschappelijke visie en de toenemende mondigheid van
ouders die hun kind willen opvoeden op een manier die zij zelf verkozen,
versterkte een ontwikkeling van aanbodgerichte naar vraaggerichte zorg.
In ongeveer 40 jaar is de woonsituatie van jongeren met een beperking
verschoven van leefgroepen en slaapzalen voor zon 18 bewoners naar
kleinschalige woonvormen in een wijk of aangepaste appartementen met
ambulante ondersteuning.
Verdrag van de Verenigde Naties in 2007 ontwikkeling geformaliseerd voor
mensen met een beperking. Centraal staat het uitgangspunt dat mensen
met een beperking dezelfde rechten hebben als mensen zonder een
beperking en dat ze de ondersteuning moeten krijgen die nodig is om
Hoofdstuk 2 De geschiedenis van de orthopedagogiek
In de 18e eeuw liggen de belangrijkste wortels van de orthopedagogiek.
2.1 Geschiedenis van de zorg en opvoeding voor speciale kinderen
2.1.1 18e eeuw
In de 18e eeuw, de periode van de Verlichting, ontstond voor het eerst
belangstelling voor de opvoedbaarheid van ‘ontspoorden’ of
‘gehandicapten’. Voor die tijd waren er al wel weeshuizen en bestond er
zorg voor gehandicapte, verwaarloosde en misdadige kinderen, maar daar
lagen toen nog geen pedagogische motieven aan ten grondslag. Men
handelde vooral vanuit liefdadigheid of om de maatschappij tegen deze
kinderen te beschermen.
De belangstelling voor de opvoedbaarheid van kinderen hing samen met
een groeiend optimisme over de mens en zin mogelijkheden. Er ontstond
vertrouwen in kennis en wetenschap, dat in plaats kwam van het idee dat
de mens was voorbestemd voor een bepaald bestaand.
17e eeuw -> de mens kwam als tabula rasa, onbeschreven blad, op de
wereld, dus zonder aangeboren ideeën. (John Locke). De mens was
maakbaar.
De Verlichting leidde vervolgens tot hoge verwachtingen over de
mogelijkheden van vooruitgang door gebruik van de rede.
2.1.2 19e eeuw
In de 19e eeuw leidde dit tot toenemend pedagogisch optimisme. De
Heilpedagogiek (leer van de helende opvoeding) deed zijn intrede en er
kwamen leerboeken over de aanpak van opvoedingsproblemen. Aan het
eind van de eeuw kregen onderwijzers, pedagogen en psychologen een
steeds grotere invloed.
De opvang en verzorging van kinderen werd tot in de 20ste eeuw vooral
uitgevoerd door religieuze congregaties en liefdadigheidsinstellingen.
Deze werden in het algemeen onderhouden door rijken die zich verplicht
voelden om er iets voor te doen. Deze taak verschoof geleidelijk naar de
overheid, die daarmee de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en
verzorging van speciale kinderen op zich nam.
Het aantal instellingen dat zich bezighield met aangepaste opvoeding en
verzorging was nog op de vingers van 1 hand te tellen. Deskundigen
hadden een centrale plek in de hulpverlening die vaak ver van het gezin
plaatsvond.
,2.1.3 20ste eeuw
In de 20ste eeuw gingen deskundigen zich in toenemende mate richten op
het kind en op het ontwikkelen van kennis over en voorzieningen voor het
kind. Er was sprake van groeiend ‘pedagogisering’.
1901 -> Wet op de Leerplicht; vanaf 6 jaar was school verplicht en leidde
tot afname van de kinderarbeid. Kort hierna ontstonden de kinderwetten
(1905) die ingrijpen in het ouderlijk gezag mogelijk maakten.
Er kwamen consultatiebureau’s, schoolartsen en vakantiekolonies voor
‘bleekneusjes’ en ‘zenuwpeesjes’ uit de stad. Deze zorg was vooral gericht
op preventie van ziekten en om lichamelijk aan te sterken. Artsen
speelden in die tijd een belangrijke rol in pedagogische instellingen en in
het onderwijs.
Het belang van de medische wetenschap kwam ook tot uiting in namen als
Medisch Kleuterdagverblijf (MKD) en Medisch Opvoedkundig Bureau
(MOB).
1904 -> eerste intelligentietest door Binet en Simon. Hiermee deed de
trend zijn intrede om eigenschappen en ontwikkelingen te gaan meten en
bestuderen.
Pedagogen en psychologen namen de rol van artsen over en het accent
werd verlegd naar een ontwikkelingspsychologie en pedagogische
benadering.
Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw was er een toename in
professionalisering, specialisatie en differentiatie van hulp in de zorg voor
jeugd. De maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren zestig en zeventig
met het accent op democratisering en emancipatie versnelden deze
ontwikkelingen. Het deskundigenmodel maakte plaats voor het
participatiemodel, waarbinnen de verhoudingen steeds meer gelijkwaardig
werden. De toenemende mondigheid van cliënten kon leiden tot
onzekerheid bij de hulpverleners.
In de loop van de jaren 90 werd het uitgangspunt van de hulp
vraaggericht. Hierdoor nam de differentiatie in het aanbod toe, nog
versterkt door toegenomen kennis over wat in welke situatie de beste
vorm van hulp is en de behoefte om de hulp dichter bij huis te
organiseren.
De versnippering (weinig overzicht enz) is verschillende keren een van de
aanleidingen geweest voor hervorming van het jeugdzorgstelsel. De
orthopedagogische zorg is in die tijd uitgegroeid tot omvangrijke
zorgsystemen met een niet onaanzienlijke maatschappelijke relevantie in
termen van aanzien, kosten en werkgelegenheid.
,Politieke sturing maakte volgens Pijnenburg vooraf plaats voor politieke
controle achteraf en maakbaarheid werd omgezet naar beheersbaarheid.
Deze ontwikkelingen in de afgelopen 3 eeuwen zijn terug te zien in de zorg
voor 2 groepen kinderen:
- Kinderen met een beperking of stoornis
- Verwaarloosde of criminele kinderen
2.1.4 Kinderen met een beperking of stoornis
In de oudheid werden ze gedood en ook nog veel later, tijdens de Tweede
Wereldoorlog, werden ze omgebracht als ‘Untermenschen’. Over het
algemeen werden ze echter aan hun lot overgelaten. Ze hielden zich voor
zover mogelijk in leven door te bedelen, kwamen in de gevangenis terecht
en overleden vroeg. Vanaf de middeleeuwen ging men zich in de westerse
wereld steeds meer bekommeren om armen, zieken en gehandicapten.
Christelijke naastenliefde was daarvoor de voornaamste drijfveer.
Sinds het begin van de 17e eeuw werken ook ‘geestesgestoorden’ in
toenemende mate opgenomen in instituties. Op deze manier werden ze
afgezonderd van de maatschappij, wat ter bescherming diende van wat
maatschappelijk gezien als normaal werd beschouwd.
Vanaf de 18e eeuw ging men zich meer vanuit persoonlijke bewogenheid
en naastenliefde inzetten voor dove, blinde en gehandicapte mensen.
Hauy -> school voor blinden eind 18e eeuw.
1770 -> eerste dovenschool.
In NL startte Guyot in 1790 met opvoeding en het onderwijs voor dove
kinderen.
1784 -> eerste blindenschool. In NL in 1808
1855 -> idiotenschool van van Koetsveld. Een school voor de lichamelijke,
verstandelijke en zedelijke vorming van kinderen, die door gebrekkig of
verkeerd ontwikkeld geestesvermogen voor het gewone, zelfs lagere
onderwijs ongeschikt zijn. Van Koetsveld geloofde in de potentiële
ontwikkelingsmgelijkheden van de kinderen met wie hij werkte en ging uit
van ‘genezing door opvoeding’.
1962 -> boek Asylums van Goffman. De zogenaamde totale instituties. Bij
totale instituties zijn de grenzen tussen leefgebieden weggehaald. Alle
aspecten van het leven voltrekken zich op dezelfde plaats en onder
hetzelfde gezag. Hierdoor wordt volgens hem de persoonlijkheid van de
deelnemers aangetast of afgebroken, de persoonlijke veiligheid gaat
verloren en de privacy wordt geschonden. De deelnemers leven in een
, sfeer van extreme sociale controle en verliezen daarmee hun
mogelijkheden om eigen keuzes te maken en autonoom te handelen.
Vanuit de Scandinavische landen ontstond een tegenbeweging die
normalisatie voorstond. Dat betekende dat ernaar werd gestreefd om
personen met een verstandelijke beperking in een situatie te laten zijn die
de gewone omstandigheden van de samenleving zo dicht mogelijk
benadert en om hen een zo normaal mogelijk leven te laten leiden.
Het burgerschapsmodel kwam in de plaats van het medisch model. Nog
weer later werd gesproken van een inclusie, een visie die verder gaat dan
alleen normalisering.
Een inclusieve samenleving staat open voor verscheidenheid en
respecteert verschillen. De kijk op mensen met een beperking veranderde.
Beperkingen werden steeds minder gezien als eigenschap van een
individu en meer als gevolg van structuren binnen een samenleving die
mensen buitensloot. Die verandering kwam tot uiting in boeken.
Het accent werd verlegd naar geloof in mogelijkheden van mensen met
een verstandelijke beperking en het recht dat zij hebben om zelf vorm te
geven aan hun bestaan.
Dennendalaffaire: Dennendal was een ‘zwakzinnigeninrichting’ waar
mensen met een verstandelijke beperking waren geïnstitutionaliseerd en
een, volgends de huidige normen, mensonwaardig bestaan hadden. Was
psychologisch directeur hiervan en een symbool voor alternatief links in
Nederland. Muller initieerde kleine woongroepen waarin ruimte was voor
individuele wensen en karaktertrekken van patiënten. Deze
verdunningsgedachte zou in de daaropvolgende jaren het belangrijkste
strijdpunt voor Dennendal worden.
Binnen de psychiatrie ontstond in die tijd een vergelijkbare beweging
tegen de geïnstitutionaliseerde zorg, de zogeheten antipsychiatrie. De
veranderde maatschappelijke visie en de toenemende mondigheid van
ouders die hun kind willen opvoeden op een manier die zij zelf verkozen,
versterkte een ontwikkeling van aanbodgerichte naar vraaggerichte zorg.
In ongeveer 40 jaar is de woonsituatie van jongeren met een beperking
verschoven van leefgroepen en slaapzalen voor zon 18 bewoners naar
kleinschalige woonvormen in een wijk of aangepaste appartementen met
ambulante ondersteuning.
Verdrag van de Verenigde Naties in 2007 ontwikkeling geformaliseerd voor
mensen met een beperking. Centraal staat het uitgangspunt dat mensen
met een beperking dezelfde rechten hebben als mensen zonder een
beperking en dat ze de ondersteuning moeten krijgen die nodig is om