De ontdekking van het speciale kind
Hoofdstuk 1 Het normale en het speciale
Van normaal naar speciaal
Jean-Jacques beschrijft in zijn boek Emile het principe van de kinderlijke
ontwikkeling als leidraad voor de opvoeding, zowel die door ouders als
door andere opvoeders. Opgroeien en opvoeden speelt zich volgens hem
af in de natuurlijke omgeving enerzijds en anderzijds datgene wat ouders
en ook leerkrachten aan invloeden uitoefenen op kinderen. De opvoeding
en het onderricht wordt tevens gestuurd door opvattingen uit de
maatschappij. Zijn visie is vooral gebaseerd op het ideaalbeeld van
opvoeding als een natuurlijke aangelegenheid, dicht bij de kleine
ontwikkelingsstappen van het kind.
Pas in de 19e eeuw raken wetenschappers geinteresesrd in het doen van
onderzoek naar kinderen, bijvoorbeeld Charles Darwin. Hij vormde de
eerste empirische kennis over de wijze waarop jonge kinderen in de loop
der jaren een vorm van zelfbewustzijn ontwikkelen.
Het groeiende inzicht dat kinderen een stapsgewijze psychische
ontplooiing doormaken, is in de 19e eeuw verweven met veranderingen in
de openbaarheid.
In Nederland onderstrepen de Arbeidswetten uit 1874 en 1889 de
noodzaak tot bescherming van kinderen en vrouwen en daaromee het
belang van de moederlijke zorg. Aan het begin van de 20ste eeuw getuigen
de Leerplichtwet (1901) en de Kinderwetten (1905) van een
overheidspolitiek die gericht is op het waarborgen van verantwoorde
pedagogische condities, zowel voor rijke als voor arme kinderen.
Aandacht voor de ontwikkeling van kinderpsyche aan het begin van de 19e
eeuw resulteert in de erkenning dat het kinderlijke innerlijk, net als dat
van volwassenen, geregeerd wordt door driften en emoties. Benadrukt
wordt dat het belangrijk is de instincten te kanaliseren en zo de
verstandelijke ontwikkeling van het kind te stimuleren en te richten op de
weg naar volwassenheid.
In de loop van de 19e eeuw is de kindersterfte langzaam gedaald, hierdoor
schuilden gevaren meer en meer in een mogelijke ontsporing van de
kinderlijke ontwikkeling en het mislukken van de opvoeding. Het beeld van
het kind als kleine volwassenen, als onschuldig wezen tegen de
achtergrond van religieuze regimes, rijke families en ouderlijke macht,
maakt plaats voor een kijk op kinderen als individuen met een eigen
psychische realiteit. Ontsporing van de normale kinderlijke ontwikkeling
,wordt niet alleen in verband gebracht met erfelijke factoren in de aanleg
van het kind, maar ook met invloeden vanuit de sociale omgeving.
Eerst verschijnen verwaarloosde kinderen in het vizier, potentieel
missdadig of feitelijk crimineel, er worden nu ook inrichtingen voor dit
soort kinderen geïnitieerd. Een belangrijk initiatief tot heropvoeding van
kinderen is in het midden van de 19e eeuw het Nederlandsch Metray. Het
wordt gesticht in 1851 door Willem H. Suringar. Eerst voor jongens later
ook voor meisjes.
Het Mettraybestuur stelt in het eerste reglement dat kinderen die lijden
aan voortdurende ziekte of zwakheid uit de kolonie zullen worden
verwijderd.
In het midden van de 19e eeuw is er een toenemend engagement met
kinderen die abnormale fysiologische karakteristieken vertonen.
Conrad Amman -> in 1692 boek gepubliceeerd waarin hij uitlegt hoe men
dove kinderen kan leren spreken.
In de 2e helft van de 18e eeuw ontstonden in Frankrijk de eerste
initiatieven om dove kinderen onder te brengen in speciale instelling,
wordt ook een uitsluitend manuele methode ontwikkeld. Inzet is de
mogelijkheden en talenten van dove kinderen te stimuleren, hun
gezichtsvermogen en hun motoriek.
In NL werd de eerste school voor dove kinderen opgericht in Groningen
door Henri D. Guyot. Hij hanteert een combinatie van spreek- en
gebarentaal in zijn Doofstommenschool.
In 1808 werd in Amsterdam de eerste instelling voor kinderen met een
visuele beperking opgericht.
Zwak van geest
In de loop van de 19e eeuw komt vanuit zorg voor blinden en
gehoorgestoorden een nieuwe categorie kinderen in beeld. Naast
abnormaliteit obv auditieve of visuele gebreken, komen nu ook
verdenkingen van defecten in de mentale ontwikkeling in het blikveld.
Langzamerhand ontwikkelt zich de aandacht voor kinderen die als zwak
van geest worden aangeduid. In de eerste helft van de 19e eeuw ontstaan
er initiatieven voor opvang en onderricht gericht op deze zwakzinnigen. In
NL kwam het pas goe dop gang in de 2e helft. Speciale kinderen trekken in
de 19e eeuw in toenemende mate aandacht, ook in het sociale leven. Het
normale in kinderen wordt nu ook afgementen aan datgene wat als
imperfectie zichtbaar wordt in de innerlijke leefwereld. Bij deze speciale
kinderen is de gefaseerde ontplooiing van de psyche vanuit de
kindernatuur verstoord of gestagneerd.
, In 1825 staat in NL 65% van de kinderen in de leeftijd van 6 t/m 12 jaar
ingeschreven als leerling van een school. In 1845 is dit 75% en rond 1900
is dit meer dan 90%. Ingeschreven staan bij een school betekent echter
niet dat kinderen ook daadwerkelijk het hele jaar naar school gaan. De
doelstellingen van het basisonderwijs zijn gericht op cognitieve en morele
en religieuze ontwikkeling van het kind.
De eerste Onderwijswet (1806) bepaalt dat de school de kinderen gepaste
en nuttige kundigheden dient aan te leren.
De schoolopzieners die vanaf 1814 belangrijk worden in de praktijk van
het volksonderwijs, zijn van protestantse afkomst. Zij zijn ook de
inspiratiebron van leerboekjes en lesmethodes die uitkomen. Begeleiding
van de ontwikkeling van het kind naar volwassenheid is het uitgangspunt
voor het lager onderwijs.
Speciale scholen dienen als inrichtingen van exceptioneelen aard een
bijzondere plaats te krijgen in de onderwijswetgeving. Dat gebeurt in
1863, echter niet als eigenstandige categorie binnen het
onderwijssysteem. De instellingen worden ondergebracht in de eerste Wet
op het Middelbaar Onderwijs.
Ondertussen zijn er in NL ook initiatieven ontstaan voor speciaal onderiwjs
gericht op kinderen met mentale problemen. De eerste autonome school
voor dit soort kinderen is de Haagse Idiotenschool.
Het begin van de Haagse Idiotenschool
Dominee Van Koetsveld oefent met zijn werk op school, in gezinnen en
binnen de relegieuze gemeente een sterk morele en sociale invloed uit,
vergelijkbaar met die van een hoofdmeester.
Sinds de onderwijswetgeving van 1806 is de functie van onderwijzer
officieell een beroep met eisen en kwalificaties geworden. De onderwijzer
is verantwoordelijk voor het klassikaal lesgeven in een aantal vakken en
dient daartoe een opleiding gevolgd te hebben.
Het groeiende belang van onderwijs in de 19e eeuw leidt er eind jaren 30
toe dat Den Haag lager onderwijs kent dat vooral gericht is op kinderen uit
armere gezinnen. De kinderen uit de gegoede milieus bezoeken vooral
dure kostscholen buiten de stad of krijgen thuisonderricht verzorgd door
gouvernantes of huisleerkrachten.
Wanneer van Koetsveld in 1849 dominee wordt in Den Haag, heeft hij
vooral ervaring met de armere kinderen uit de plattelandsgemeenten van
Zuid-Holland waar hij zijn ambt uitoefende. Dit is de voedingsbodem voor
zijn initiatief tot de oprichting van de eerste school in NL voor idiote
kinderen.
Hoofdstuk 1 Het normale en het speciale
Van normaal naar speciaal
Jean-Jacques beschrijft in zijn boek Emile het principe van de kinderlijke
ontwikkeling als leidraad voor de opvoeding, zowel die door ouders als
door andere opvoeders. Opgroeien en opvoeden speelt zich volgens hem
af in de natuurlijke omgeving enerzijds en anderzijds datgene wat ouders
en ook leerkrachten aan invloeden uitoefenen op kinderen. De opvoeding
en het onderricht wordt tevens gestuurd door opvattingen uit de
maatschappij. Zijn visie is vooral gebaseerd op het ideaalbeeld van
opvoeding als een natuurlijke aangelegenheid, dicht bij de kleine
ontwikkelingsstappen van het kind.
Pas in de 19e eeuw raken wetenschappers geinteresesrd in het doen van
onderzoek naar kinderen, bijvoorbeeld Charles Darwin. Hij vormde de
eerste empirische kennis over de wijze waarop jonge kinderen in de loop
der jaren een vorm van zelfbewustzijn ontwikkelen.
Het groeiende inzicht dat kinderen een stapsgewijze psychische
ontplooiing doormaken, is in de 19e eeuw verweven met veranderingen in
de openbaarheid.
In Nederland onderstrepen de Arbeidswetten uit 1874 en 1889 de
noodzaak tot bescherming van kinderen en vrouwen en daaromee het
belang van de moederlijke zorg. Aan het begin van de 20ste eeuw getuigen
de Leerplichtwet (1901) en de Kinderwetten (1905) van een
overheidspolitiek die gericht is op het waarborgen van verantwoorde
pedagogische condities, zowel voor rijke als voor arme kinderen.
Aandacht voor de ontwikkeling van kinderpsyche aan het begin van de 19e
eeuw resulteert in de erkenning dat het kinderlijke innerlijk, net als dat
van volwassenen, geregeerd wordt door driften en emoties. Benadrukt
wordt dat het belangrijk is de instincten te kanaliseren en zo de
verstandelijke ontwikkeling van het kind te stimuleren en te richten op de
weg naar volwassenheid.
In de loop van de 19e eeuw is de kindersterfte langzaam gedaald, hierdoor
schuilden gevaren meer en meer in een mogelijke ontsporing van de
kinderlijke ontwikkeling en het mislukken van de opvoeding. Het beeld van
het kind als kleine volwassenen, als onschuldig wezen tegen de
achtergrond van religieuze regimes, rijke families en ouderlijke macht,
maakt plaats voor een kijk op kinderen als individuen met een eigen
psychische realiteit. Ontsporing van de normale kinderlijke ontwikkeling
,wordt niet alleen in verband gebracht met erfelijke factoren in de aanleg
van het kind, maar ook met invloeden vanuit de sociale omgeving.
Eerst verschijnen verwaarloosde kinderen in het vizier, potentieel
missdadig of feitelijk crimineel, er worden nu ook inrichtingen voor dit
soort kinderen geïnitieerd. Een belangrijk initiatief tot heropvoeding van
kinderen is in het midden van de 19e eeuw het Nederlandsch Metray. Het
wordt gesticht in 1851 door Willem H. Suringar. Eerst voor jongens later
ook voor meisjes.
Het Mettraybestuur stelt in het eerste reglement dat kinderen die lijden
aan voortdurende ziekte of zwakheid uit de kolonie zullen worden
verwijderd.
In het midden van de 19e eeuw is er een toenemend engagement met
kinderen die abnormale fysiologische karakteristieken vertonen.
Conrad Amman -> in 1692 boek gepubliceeerd waarin hij uitlegt hoe men
dove kinderen kan leren spreken.
In de 2e helft van de 18e eeuw ontstonden in Frankrijk de eerste
initiatieven om dove kinderen onder te brengen in speciale instelling,
wordt ook een uitsluitend manuele methode ontwikkeld. Inzet is de
mogelijkheden en talenten van dove kinderen te stimuleren, hun
gezichtsvermogen en hun motoriek.
In NL werd de eerste school voor dove kinderen opgericht in Groningen
door Henri D. Guyot. Hij hanteert een combinatie van spreek- en
gebarentaal in zijn Doofstommenschool.
In 1808 werd in Amsterdam de eerste instelling voor kinderen met een
visuele beperking opgericht.
Zwak van geest
In de loop van de 19e eeuw komt vanuit zorg voor blinden en
gehoorgestoorden een nieuwe categorie kinderen in beeld. Naast
abnormaliteit obv auditieve of visuele gebreken, komen nu ook
verdenkingen van defecten in de mentale ontwikkeling in het blikveld.
Langzamerhand ontwikkelt zich de aandacht voor kinderen die als zwak
van geest worden aangeduid. In de eerste helft van de 19e eeuw ontstaan
er initiatieven voor opvang en onderricht gericht op deze zwakzinnigen. In
NL kwam het pas goe dop gang in de 2e helft. Speciale kinderen trekken in
de 19e eeuw in toenemende mate aandacht, ook in het sociale leven. Het
normale in kinderen wordt nu ook afgementen aan datgene wat als
imperfectie zichtbaar wordt in de innerlijke leefwereld. Bij deze speciale
kinderen is de gefaseerde ontplooiing van de psyche vanuit de
kindernatuur verstoord of gestagneerd.
, In 1825 staat in NL 65% van de kinderen in de leeftijd van 6 t/m 12 jaar
ingeschreven als leerling van een school. In 1845 is dit 75% en rond 1900
is dit meer dan 90%. Ingeschreven staan bij een school betekent echter
niet dat kinderen ook daadwerkelijk het hele jaar naar school gaan. De
doelstellingen van het basisonderwijs zijn gericht op cognitieve en morele
en religieuze ontwikkeling van het kind.
De eerste Onderwijswet (1806) bepaalt dat de school de kinderen gepaste
en nuttige kundigheden dient aan te leren.
De schoolopzieners die vanaf 1814 belangrijk worden in de praktijk van
het volksonderwijs, zijn van protestantse afkomst. Zij zijn ook de
inspiratiebron van leerboekjes en lesmethodes die uitkomen. Begeleiding
van de ontwikkeling van het kind naar volwassenheid is het uitgangspunt
voor het lager onderwijs.
Speciale scholen dienen als inrichtingen van exceptioneelen aard een
bijzondere plaats te krijgen in de onderwijswetgeving. Dat gebeurt in
1863, echter niet als eigenstandige categorie binnen het
onderwijssysteem. De instellingen worden ondergebracht in de eerste Wet
op het Middelbaar Onderwijs.
Ondertussen zijn er in NL ook initiatieven ontstaan voor speciaal onderiwjs
gericht op kinderen met mentale problemen. De eerste autonome school
voor dit soort kinderen is de Haagse Idiotenschool.
Het begin van de Haagse Idiotenschool
Dominee Van Koetsveld oefent met zijn werk op school, in gezinnen en
binnen de relegieuze gemeente een sterk morele en sociale invloed uit,
vergelijkbaar met die van een hoofdmeester.
Sinds de onderwijswetgeving van 1806 is de functie van onderwijzer
officieell een beroep met eisen en kwalificaties geworden. De onderwijzer
is verantwoordelijk voor het klassikaal lesgeven in een aantal vakken en
dient daartoe een opleiding gevolgd te hebben.
Het groeiende belang van onderwijs in de 19e eeuw leidt er eind jaren 30
toe dat Den Haag lager onderwijs kent dat vooral gericht is op kinderen uit
armere gezinnen. De kinderen uit de gegoede milieus bezoeken vooral
dure kostscholen buiten de stad of krijgen thuisonderricht verzorgd door
gouvernantes of huisleerkrachten.
Wanneer van Koetsveld in 1849 dominee wordt in Den Haag, heeft hij
vooral ervaring met de armere kinderen uit de plattelandsgemeenten van
Zuid-Holland waar hij zijn ambt uitoefende. Dit is de voedingsbodem voor
zijn initiatief tot de oprichting van de eerste school in NL voor idiote
kinderen.