Doel / wat meten: coördinatie van ledematen, vooral bedoeld om
cerebellaire stoornissen/ataxie of coördinatiestoornissen te detecteren bij
neurologisch onderzoek.
Uitleg en uitvoering:
o Top-Neus-Proef: patiënt brengt met ogen gesloten de wijsvinger
vanuit gestrekte arm naar het puntje van de neus. Eerst
demonstreert onderzoeker, dan de patiënt. Per arm apart.
o Top-Top-Proef: patiënt raakt met wijsvinger de wijsvinger van
onderzoeker aan, coördinatie + tracking van beweging.
o Knie-Hiel / Knie-Hak-Proef: in ruglig; de patiënt brengt de hiel op de
knie van het andere been en strijkt dan langzaam langs scheenbeen
naar beneden richting enkel. Bij cerebellaire stoornis vaak
schokkende / niet- vloeiende bewegingen, intentietremor of
dysmetrie.
Wanneer / waarvoor: opsporen van coördinatieproblemen, ataxie,
dysmetrie — niet primair voor kracht, lopen of ADL, maar belangrijk bij
neurologisch lichamelijk onderzoek.
Motricity Index (MI)
Doel / wat meten: globale spierkracht en hemiplegie/parese van arm en
been (na CVA).
Opbouw / onderdelen: wordt gedaan voor arm én been — het meet
willekeurige bewegingen en (globale) isometrische spierkracht in groot
gewrichten en belangrijke spiergroepen. De test bestaat uit 6 bewegingen
verdeeld over 6 gewrichten.
Arm: 1. Pincet greep het vasthouden van een 2,5 cm blokje tussen duim
en wijsvinger 2. Het willekeurig flecteren van de elleboog tot volledige
flexie (±160o ) 3. De schouder abduceren vanuit 0° tot 90o stand.
Been: 4. Het willekeurig de enkel dorsaal flecteren vanuit 0 -stand 5. Het
willekeurig extenderen van de knie vanuit 90° 6. Het willekeurig flecteren
van de heup vanuit 90° flexiestand.
Interpretatie: Hogere score → betere kracht / minder hemiplegie. Lage
score duidt op (ernstige) spierzwakte. Score: 0, 9, 14, 19, 25, 33.
Doelgroep / gebruik: CVA-patiënten, of patiënten met motorische uitval
aan één zijde.
Trunk Control Test (TCT)
, Doel / wat meten: controle over de romp / rompstabiliteit. Rompstabiliteit
is essentieel voor balans, transfers, zitten, staan en lopen. Uitval leidt tot
valrisico en belemmerde mobiliteit.
Gebruik: vaak bij patiënten met verminderde mobiliteit of éénzijdige
verlamming; wordt gebruikt als basismetingen bij revalidatie na beroerte.
Testen: 4 tests, te weten: 1. omrollen naar zwakkere zijde; 2. omrollen
naar sterkere zijde; 3. opkomen tot zit vanuit rugligging; 4. balans in
zittende positie gedurende 30 seconden.
Score: 0 punten = de patiënt kan de beweging niet uitvoeren; 12 punten
= de patiënt kan de beweging uitvoeren, maar moet compensaties
gebruiken (bijvoorbeeld optrekken met handen en/of extra vast houden);
25 punten = de patiënt kan de bewegingen normaal uitvoeren.
Berg Balance Scale (BBS)
Doel / wat meten: statische en dynamische balans bij zitten, staan,
transfers en andere dagelijkse houdingen/bewegingen.
Opbouw: 14 taken:1. van zit naar stand 2. zelfstandig staan 3. zelfstandig
zitten 4. van stand naar zit 5. transfers 6. staan met gesloten ogen 7.
zelfstandig staan met voeten tegen elkaar 8. reiken naar voren met een
uitgestrekte arm in stand 9. oppakken van een voorwerp van de vloer
vanuit stand 10. draaien over L en R schouder om naar achteren te kijken
in stand 11. volledig om de as draaien (360°) in stand 12. alternerend
plaatsen van de voet op krukje/opstapbankje in stand 13. staan met één
been voor 14 staan op één been.
Scoring: ieder item 0–4, somscore geeft de balans en valrisico weer.
Functional Ambulation Categories (FAC)
Doel / wat meten: graden van zelfstandigheid bij lopen. Van geen
gangvermogen tot volledig onafhankelijk op verschillende oppervlaktes.
Schaal: ordinale schaal 0–5. Niveau:
o 0 = niet lopen of hulp van 2 of meer personen of loopbrug
o 1 = stevige steun nodig van 1 persoon
o 2 = lichte lichamelijke hulp nodig
o 3 = verbale begeleiding of hulp van 1 persoon zonder fysiek contact
o 4 = zelfstandig lopen op vlakke ondergrond
o 4–5 = zelfstandig lopen op vlakke én oneffen ondergrond, trappen
en hellingen
Tien-meter looptest (10-MLT / 10MWT)