Hoofdstuk 1
Ontwikkelingspsychologie probeert veranderingen in de manier waarop we denken en
ons gedragen te identificeren en te beschrijven, en de ontwikkelingsprocessen te
achterhalen die deze veranderingen aandrijven.
➔ Ontwikkelingspsychologen zijn geïnteresseerd in wat er verandert naarmate we
ouder worden en hoe deze veranderingen tot stand komen.
Ontwikkeling vindt plaats op verschillende niveaus:
• Sociaal niveau: interacties tussen bijvoorbeeld een baby en een ouder.
• Cognitief niveau: veranderingen in onze denkprocessen, zoals verbeteringen in
het geheugen.
• Biologisch niveau: de rijping van bepaalde hersengebieden of de verbindingen
tussen hersengebieden.
Ontwikkelingspsychologie is een vakgebied dat probeert te begrijpen en uit te leggen
hoe individuen veranderen op cognitief, sociaal en ander vlak — eerst door
veranderingen in het waarneembare gedrag van kinderen te beschrijven, en vervolgens
door de processen te onderzoeken die aan deze veranderingen ten grondslag liggen.
Er bestond lange tijd een sterke spanning tussen opvattingen die ontwikkeling zagen als
het resultaat van ervaring (Locke, 1690) en diegenen die uitgingen van een aangeboren
begrip dat al vóór de ervaring aanwezig is (Rousseau, 1762). Toch begonnen
onderzoekers pas iets meer dan een eeuw geleden ontwikkeling te bestuderen met
empirische wetenschappelijke methoden.
➢ Waarschijnlijk werd de eerste wetenschappelijke observatie van menselijke
ontwikkeling gedaan door Charles Darwin, die een observatiebiografie schreef
over de zintuiglijke vermogens en emoties van zijn eigen kind, ‘Doddy’.
Sommigen stellen dat dit de eerste empirisch-wetenschappelijke studie binnen
de ontwikkelingspsychologie was.
➢ Pas rond de tijd van Darwins werk begonnen wetenschappers de kindertijd te
zien als een aparte levensfase, verschillend van de volwassenheid — daarvoor
werden kinderen gezien als miniatuurvolwassenen.
THEMA’S VAN ONTWIKKELING
De oorsprong van menselijk gedrag, de specificiteit of algemeenheid van verandering
(met andere woorden: of veranderingen plaatsvinden in al het denken en gedrag van een
kind tegelijk, of slechts in één onderdeel daarvan), en de individuele en contextuele
krachten die ontwikkeling bepalen en aansturen.
,Oorsprong van gedrag: erfelijkheid en omgeving
De vraag hoe we de relatie tussen erfelijkheid en omgeving moeten begrijpen, wordt
vaak aangeduid als het debat over nature versus nurture (aangeboren aanleg versus
opvoeding/omgeving).
➢ Nativism: de opvatting dat ontwikkeling voornamelijk wordt bepaald door
erfelijke factoren (genetica).
➢ Empiricism: de opvatting dat ontwikkeling voornamelijk wordt bepaald door
invloeden uit de omgeving.
➢ Ontwikkelingstheoretici verschillen van mening over het relatieve belang van
deze twee factoren binnen verschillende domeinen van ontwikkeling.
Tegenwoordig bestaan er echter bijna geen theorieën meer die een van beide
uitersten op een simplistische manier ondersteunen. Moderne
ontwikkelingspsychologen onderzoeken hoe erfelijke en omgevingsfactoren –
oftewel nature en nurture – samenwerken of op elkaar inwerken om
ontwikkelingsveranderingen te veroorzaken.
Verschillende genetische variaties tussen individuen kunnen leiden tot verschillende
ontwikkelingsuitkomsten, omdat de genetische erfenis van een kind op verschillende
manieren kan interageren met de omgeving waarin het kind opgroeit. Toch bestaan er
ook meer algemene principes over hoe onze (genetische) aanleg samenwerkt met onze
omgeving.
Mensen hebben van nature de neiging om de wereld om hen heen te begrijpen en te
verkennen.
De interactie tussen erfelijkheid en omgeving is een actief en dynamisch proces,
waaraan het kind zelf een actieve en essentiële bijdrage levert.
Beschrijving van ontwikkelingsverandering; continuïteit versus discontinuïteit
Hoe patronen van ontwikkelingsverandering te beschrijven;
Continuous development: een patroon van ontwikkeling waarbij vaardigheden op een
geleidelijke en vloeiende manier veranderen.
➢ Elk nieuw gebeuren bouwt voort op eerdere ervaringen.
➢ Ontwikkelingsveranderingen voegen zich bij of bouwen voort op eerdere
vaardigheden op een cumulatieve of kwantitatieve manier, zonder plotselinge
overgangen van de ene verandering naar de andere.
Discontinuous development: een patroon van ontwikkeling waarbij veranderingen
plotseling optreden, wat resulteert in kwalitatief verschillende stadia (periodes) van
ontwikkeling.
➢ Deze opvatting vergelijkt ontwikkeling met een reeks afzonderlijke stappen of
stadia, waarin gedragingen worden herorganiseerd tot een kwalitatief nieuwe
reeks gedragingen.
,Siegler: ziet ontwikkeling in wezen als continu of kwantitatief, maar stelt dat, omdat de
ontwikkeling van een reeks vaardigheden en neigingen gelijktijdig plaatsvindt, de
algehele ontwikkelingsverandering in vaardigheid de indruk kan wekken van plotselinge
of discontinue/kwantitatieve verschuivingen.
Kritieke en gevoelige perioden
Critical period: een periode van ontwikkeling (leeftijdsbereik) waarin specifieke
ervaringen van vitaal belang zijn om ontwikkeling op een typische manier te laten
plaatsvinden.
Sensitive period: een periode van ontwikkeling (leeftijdsbereik) waarin bepaalde
ervaringen belangrijk zijn voor typische ontwikkeling. Als die ervaringen niet tijdens die
periode plaatsvinden, kan typische ontwikkeling nog steeds optreden.
Domein-algemene of domein-specifieke ontwikkeling
De mate waarin de ontwikkeling van een nieuwe vaardigheid of bekwaamheid invloed
heeft op andere domeinen.
Domain-general development: het idee dat ontwikkelingen invloed kunnen hebben op
een breed scala aan vaardigheden.
➢ Piaget: wanneer kinderen een nieuwe manier van logisch denken ontwikkelen,
heeft dit invloed op verschillende vaardigheden.
Domain-specific development: het idee dat de ontwikkeling van verschillende
vaardigheden onafhankelijk (afzonderlijk) plaatsvindt en weinig invloed heeft op
vaardigheden in andere domeinen.
Plaats van ontwikkelingsverandering
Wat verandert er wanneer ontwikkeling plaatsvindt?
Level of explanation: de manier waarop we ervoor kiezen om psychologische
vaardigheden (en de ontwikkeling van die vaardigheden) te beschrijven.
➢ Niveaus van verklaring kunnen biologisch, gedragsmatig, sociaal en emotioneel
zijn. (Bijvoorbeeld, wanneer een baby leert lachen bij oogcontact)
➢ Welk niveau van verklaring of welke plaats van verandering is het meest
informatief voor ons -> proberen te bepalen of de factoren die
ontwikkelingsverandering beïnvloeden voornamelijk op het ene of het andere
niveau liggen (bijvoorbeeld of biologische of omgevingsfactoren belangrijker zijn).
PERSPECTIEVEN OP ONTWIKKELING
Individuele kenmerken en contextuele invloeden
Verschillende ontwikkelingspaden kunnen ontstaan wanneer individuen als atypisch in
hun ontwikkeling worden beschouwd. Echter, individuele variatie komt ook voor binnen
zowel typische als atypische ontwikkeling.
, Ontwikkelingspsychologen verschillen in de mate waarin zij de nadruk leggen op
individuele kenmerken (die kunnen voortkomen uit onze erfelijkheid) versus situationele
of contextuele invloeden.
Een belangrijke manier waarop individuele kenmerken zijn bestudeerd, is door te
onderzoeken hoe verschillende kinderen reageren wanneer zij worden geconfronteerd
met situationele uitdagingen of risico’s voor een gezonde ontwikkeling. Risico’s kunnen
vele vormen aannemen: biologisch, psychologisch of omgeving gerelateerd.
‘sleeper’-effecten: kinderen lijken aanvankelijk goed om te gaan met hun
omstandigheden, maar vertonen later in hun leven problemen.
Box 1-1; De betekenis van vroege deprivatie; bevindingen van het Engels-Roemeens
Adoptieproject:
➢ Een longitudinale benadering om de ontwikkeling te beoordelen van kinderen die
begin jaren 1990 in het Verenigd Koninkrijk werden geadopteerd vanuit
Roemenië. Deze kinderen waren opgegroeid in een periode van extreme
economische moeilijkheden in Roemenië, velen zonder ouders, en waren
geplaatst in instellingen waar zij vanaf jonge leeftijd (tot 42 maanden) werden
blootgesteld aan extreme vormen van deprivatie. Deze deprivatie omvatte een
gebrek aan sociaal contact of zelfs stimulatie, en soms ook lichamelijke
mishandeling en ondervoeding. De kinderen werden geadopteerd door gezinnen
in het VK vóór hun vierde verjaardag. Het onderzoek richtte zich op de gevolgen
van deze vroege deprivatie voor hun sociale, emotionele en cognitieve
functioneren (in het bijzonder de cognitieve functies op 11-jarige leeftijd).
➢ Er waren drie groepen: (i) een groep < 6 maanden, (ii) een groep < 24 maanden, en
(iii) een groep van 24 maanden en ouder.
➢ Op 6-jarige leeftijd voltooiden dezelfde groepen een algemene meting van
cognitieve vaardigheden (McCarthy-test). Op 11-jarige leeftijd maakten zij de
Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC).
➢ Resultaten: statistische analyses toonden weinig verschillen tussen de Britse
controlegroep en de Roemeense kinderen die institutionele deprivatie hadden
meegemaakt maar jong waren geadopteerd (< 6 maanden). Roemeense kinderen
die na 6 maanden waren geadopteerd, presteerden slechter, en vooral degenen
die ouder dan 2 jaar waren bij adoptie. Er waren echter aanwijzingen, uit dit en
ander onderzoek, dat deze laatste groep – die de langste periode van deprivatie
had meegemaakt – op 11-jarige leeftijd enig ‘inhaaleffect’ vertoonde.
Culturele contexten
Onderzoekers die de nadruk leggen op contextuele invloeden op ontwikkeling, hebben
een breed scala aan omgevingen bestudeerd, waaronder het gezin, de buurt en de
school. Onderzoek naar de bijdrage van context aan de ontwikkeling van kinderen heeft
ook geleid tot een groeiende belangstelling voor de relatie tussen cultuur en