Berk Bilgin
Mengels:
Stoffen kunnen op verschillende manieren mengen:
- Onverzadigd: de oplossing kan nog meer oplossen.
- Verzadigd: de oplossing kan niet meer oplossen en er blijft zout op de
bodem liggen.
Legering: homogeen mengsel van metalen.
Suspensie: vloeistof met een vaste stof (troebeL).
Emulsie: vloeistoffen die niet onderling mengen (troebel).
Om de stoffen in een emulsie te laten mengen, wordt een emulgator
gebruikt.
De fase van een stof hangt af van de temperatuur en de druk.
Zuivere stoffen hebben een smelt- en kookpunt. Kookpunten zijn
afhankelijk van bindingssterktes tussen moleculen.
Mengsels hebben een smelt- en kooktraject. verschillende stoffen smelten
en koken op een ander punt.
Macroscopische eigenschap en microstructuur
Vervormbaarheid: roosterfouten verminderen de vervormbaarheid.
Geleidend vermogen: beweegbare ladingsdragers zorgen voor
stroomgeleiding.
Waterafstotend/bindend vermogen: de aanwezigheid van -OH of -NH groepen
zorgen dat moleculen goed water binden (oplossen).
Corrosiegevoeligheid: hoe edeler het metaal (sterkere reductor), des te
minder snel het roest. Een beschermende laag voorkomt ook roesten.
UV-lichtgevoeligheid: sommige stoffen kunnen uit elkaar vallen onder
invloed van UV-licht.
Brandbaarheid: hoe meer zuurstof een molecuul bevat, des te brandbaarder
deze is.
Hardheid: hoe dichter de deeltjes op elkaar zitten, des te harder de
stof.
Brosheid: als er weinig en/of zwakke bindingen zijn tussen de deeltjes,
is materiaal bros (breekt snel).
Kraken: opbreken van lange koolstofketens in kleinere ketens.
Additie: toevoegen van atomen door openspringen dubbele binding.
Substitutie: toevoegen van atoom door verwisseling met H-atoom.
Condensatie: reactie waarbij water of een klein molecuul ontstaat.
Hydrolyse: reactie waarbij water of een klein molecuul gebruikt wordt.
Polymerisatie: vorming van lange koolstofketens opgebouwd uit monomeren.
Verbranding: er ontstaat CO2 en H2O (eventueel SO2 en NOx)
Oplossen: er worden ionen gevormd uit een vaste stof.
Oplossen van een zout in water: vaste stof -> oplossing
Neerslag/indampen van een zout: oplossing -> vaste stof
Zouten nemen kristalwater op: Zoutoplossing * H2O (kristalrooster)
Ontleden van een stof: ontstaan meerdere reactieproducten
Brandstof + zuurstof: CO2 + H2O of SO2 + NOx
Mengels:
Stoffen kunnen op verschillende manieren mengen:
- Onverzadigd: de oplossing kan nog meer oplossen.
- Verzadigd: de oplossing kan niet meer oplossen en er blijft zout op de
bodem liggen.
Legering: homogeen mengsel van metalen.
Suspensie: vloeistof met een vaste stof (troebeL).
Emulsie: vloeistoffen die niet onderling mengen (troebel).
Om de stoffen in een emulsie te laten mengen, wordt een emulgator
gebruikt.
De fase van een stof hangt af van de temperatuur en de druk.
Zuivere stoffen hebben een smelt- en kookpunt. Kookpunten zijn
afhankelijk van bindingssterktes tussen moleculen.
Mengsels hebben een smelt- en kooktraject. verschillende stoffen smelten
en koken op een ander punt.
Macroscopische eigenschap en microstructuur
Vervormbaarheid: roosterfouten verminderen de vervormbaarheid.
Geleidend vermogen: beweegbare ladingsdragers zorgen voor
stroomgeleiding.
Waterafstotend/bindend vermogen: de aanwezigheid van -OH of -NH groepen
zorgen dat moleculen goed water binden (oplossen).
Corrosiegevoeligheid: hoe edeler het metaal (sterkere reductor), des te
minder snel het roest. Een beschermende laag voorkomt ook roesten.
UV-lichtgevoeligheid: sommige stoffen kunnen uit elkaar vallen onder
invloed van UV-licht.
Brandbaarheid: hoe meer zuurstof een molecuul bevat, des te brandbaarder
deze is.
Hardheid: hoe dichter de deeltjes op elkaar zitten, des te harder de
stof.
Brosheid: als er weinig en/of zwakke bindingen zijn tussen de deeltjes,
is materiaal bros (breekt snel).
Kraken: opbreken van lange koolstofketens in kleinere ketens.
Additie: toevoegen van atomen door openspringen dubbele binding.
Substitutie: toevoegen van atoom door verwisseling met H-atoom.
Condensatie: reactie waarbij water of een klein molecuul ontstaat.
Hydrolyse: reactie waarbij water of een klein molecuul gebruikt wordt.
Polymerisatie: vorming van lange koolstofketens opgebouwd uit monomeren.
Verbranding: er ontstaat CO2 en H2O (eventueel SO2 en NOx)
Oplossen: er worden ionen gevormd uit een vaste stof.
Oplossen van een zout in water: vaste stof -> oplossing
Neerslag/indampen van een zout: oplossing -> vaste stof
Zouten nemen kristalwater op: Zoutoplossing * H2O (kristalrooster)
Ontleden van een stof: ontstaan meerdere reactieproducten
Brandstof + zuurstof: CO2 + H2O of SO2 + NOx