Leerdoelen..............................................................................................................................................2
Introductiebijeenkomst..........................................................................................................................3
Uitleggen wat de Wet op de Dierproeven (WoD) inhoudt (sinds 1977).............................................3
Uitleggen aan welke voorwaarden voldaan moet zijn om proefdieren te gebruiken.........................3
Uitleggen wat de 3R's (of 3V's) betekenen.........................................................................................5
Uitvoering.......................................................................................................................................5
Thema 1: Gedrag....................................................................................................................................7
Heb je een indruk gekregen van verschillende gedragsstudies zoals die uitgevoerd worden in het
werkveld.............................................................................................................................................7
Gedragsstudies in het werkveld......................................................................................................7
Drie veelgebruikte opstellingen bij de gedragsstudie in muizen/ratten..........................................7
Thema 2: Ethiek......................................................................................................................................8
In eigen woorden beschrijven wat de begrippen ethiek, moraal, normen en waarden inhouden.....8
De intrinsieke- en extrinsieke waarde van een dier benoemen in een casus.....................................9
Uitleggen wat drogredeneringen zijn.................................................................................................9
Voorbereiding.................................................................................................................................9
Thema 3: Regenworm...........................................................................................................................11
De anatomie van de regenworm......................................................................................................11
Voorbereiding...............................................................................................................................12
Thema 4: Histologie..............................................................................................................................14
Kan je een eenvoudige histologische kleuring uitvoeren op gegeven materiaal en ken je het
principe van de kleuring...................................................................................................................14
Het opwerken van weefsel tot bruikbare coupes – paraffine.......................................................14
Het opwerken van weefsel tot bruikbare coupes – Vriescoupe...................................................14
Kleuringen....................................................................................................................................15
Artefacten.....................................................................................................................................16
Thema 5: Anatomie van de rat.............................................................................................................17
De globale anatomie van een gewerveld dier (bijv. de rat)..............................................................17
Thema 6: Oriëntatie op Zoölogie..........................................................................................................18
,Leerdoelen
, Introductiebijeenkomst
Uitleggen wat de Wet op de Dierproeven (WoD) inhoudt (sinds
1977).
- Dierproef= experiment of methode waarbij een dier wordt gebruikt, dat hierbij mogelijk pijn
ervaart vergelijkbaar met of erger dan het inbrengen van een naald.
- Dierexperimenten op gewervelde dieren zijn niet toegestaan tenzij hier goede redenen voor
zijn.
- Wel WoD= gewervelde dieren (inwendig skelet).
Zoogdieren, vissen, amfibieën en reptielen.
Koppotigen (inktvis en octopus).
Ongeboren dieren. Embryo’s vanaf zelfstandig voedende stadium (bij zoogdier 2/3
van ontwikkelingsstadium).
Doden van dieren voor weefsel of organen. Het is niet toegestaan om (gewervelde)
dieren te doden ten behoeve van het verkrijgen van lichaamsvloeistoffen, weefsels
of organen.
Geen WoD= ongewervelde dieren (geen inwendig skelet).
Slakken, insecten en wormen
Uitleggen aan welke voorwaarden voldaan moet zijn om proefdieren
te gebruiken.
- Keuze model= op basis van literatuuronderzoek/proefdierdeskundigen.
Model moet betrouwbaar zijn.
Kennis van voor- en nadelen.
Resultaten moeten representatief zijn voor de mens.
- Voorwaarden voor het inzetten van dieren:
Er bestaat geen andere mogelijkheid om het onderzoeks- of onderwijsdoel te
bereiken.
Het onderzoek heeft voldoende wetenschappelijke kwaliteit.
Het maatschappelijk belang weegt op tegen het ongerief van het dier.