Learning and Instruction
1. Introduction to Learning and
Instruction
Theoretische perspectieven op het leren
1. Behavioristische benadering: responsversterking
2. Cognitieve benadering: kennis-acquisitie
3. Contextuele benadering: (sociaal)constructivisme, kennisconstructie
Cognitieve Theorie Geheugen
Het geheugen is wat we opslaan in ons hoofd en altijd met ons meedragen. Het geheugen is
bedrieglijk, omdat het wordt beïnvloedt oor het dagelijks leven. Onderwijs is niet puur alle feitjes
weten, maar onderscheid maken tussen wat je wel en niet weet.
Input sensorisch aandacht korte lange
geheugen termijn geheugen termijn geheugen
Stimulus komt aan in het sensorisch geheugen. Alleen als er aandacht aan wordt besteed, komt het
in het werkgeheugen. In het werkgeheugen wordt ermee aan de slag gegaan en eventueel naar het
lange termijn geheugen verplaatst.
Het werkgeheugen bestaat uit twee delen waarvan info binnenkomt:
Visuo-spatial scratch pad = visuele deel (beeld)
Phonological loop = fonologisch deel (geluid)
Drie processen
Selecteren: aandacht besteden aan relevante informatie. Het verplaatsen van het sensorisch
geheugen naar het werkgeheugen.
Organiseren: de geselecteerde informatie in zijn geheel proberen te begrijpen.
Integreren: combineren van informatie vanuit werk- en lange termijn geheugen.
,Drie delen werkgeheugen
Visuo-spatial scratchpad: waar vooral visuele informatie binnenkomt
Phonological loop: waar vooral auditieve informatie binnenkomt
Central executive: waar alle informatie gecombineerd wordt
Drie principes van leren
Twee kanalen: waarop info binnen kan komen, namelijk beeld en geluid
Beperkte capaciteit: je kunt maar een bepaalde hoeveelheid informatie aan
Actieve verwerking: je moet met de info aan de slag
Beeld en geluid moet informatie aan elkaar toevoegen, en moet niet precies hetzelfde zijn. Dus niet
dit is een rode cirkel en vervolgens dit ook laten zien.
Drie typen belasting
Intrinsieke: de te leren stof
Extrinsieke: de nadelige presentatie/organisatie/activiteiten > extra werkgeheugen belasting
> nadelig, niet relevant
Gunstige (germane): gunstige presentatie/organisatie/activiteiten > extra werkgeheugen
belasting > voordelig.
De drie typen belasting tellen bij elkaar op. Teveel belasting hindert het leren. Dus: minder extrinsiek
en zoveel germane als nog past. Intrinsieke + germane moet zo hoog mogelijk zijn, zonder dat het
werkgeheugen ‘ontploft’.
Iedereen zijn werkgeheugen is anders.
Fading: eerst veel voorbeelden en dan pas zelf door de leerlingen laten doen.
Cognitieve belasting onderzoek laat zien hoe theorieën komen en gaan. Half jaren negentig kwam
CLT(Communicative language teaching) sterk opzetten, met zeker in de 00-jaren een hoogtepunt.
Inmiddels is het onderzoek over zijn hoogtepunt heen en doen steeds minder onderzoekers er iets
mee.
Lange termijn geheugen
Impliciete kennis is onbewuste kennis: veelal geautomatiseerde vaardigheden.
Expliciete kennis is bewuste kennis:
Semantisch deel (weten wat iets is)
Episodische deel (dagboek; tijd, volgorde van dingen)
Door lang oefenen kan expliciete kennis langzaam impliciete kennis worden, bijvoorbeeld autorijden.
Typen kennis:
Declaratief (wat), bijvoorbeeld samenvatten
Procedureel (hoe), bijvoorbeeld hoe maak je een samenvatting
Conditioneel (wanneer), bijvoorbeeld wanneer is het slim een samenvatting te maken.
Voor veel taken zijn alle drie typen kennis nodig om deze zaken tot een goed einde te brengen.
Alle voorkennis zit in het lange termijn geheugen, maar niet automatisch in het werkgeheugen.
Onderzoek laat zien dat het activeren van voorkennis helpt bij het verwerken en onthouden van
nieuwe informatie. Dit laat zien dat verwerking in het werkgeheugen plaats vindt en dat dit beter
gaat wanneer voorkennis actief gebruikt wordt.
Omgeving waar je leert, heeft invloed op je als je de toets maakt. Dus het beste kun je leren op
dezelfde situatie als dat je later de toets moet gaan maken.
Oude visie op het lange termijn geheugen is de schema-theorie. De nieuwe visie op het lange termijn
geheugen is de netwerk-theorie, hier is ook biologisch bewijs voor.
, Drie soorten transfer
Transfer = je leert het in de ene situatie, maar je kun het dan ook toepassen in andere situaties.
Verschillende soorten:
Specifieke transfer (ook wel near-tranfer): een specifieke vaardigheid in enkele situaties
Generale transfer (ook wel far-transfer): meerdere vaardigheden in meerdere situaties
Gemixte transfer: specifieke transfer in meerdere situaties
Een voorbeeld is het toepassen van leerstrategieën. Veel leerlingen hebben specifieke transfer met
betrekking tot leerstrategieën: deze gebruiken ze bij begrijpend lezen, maar niet bij geschiedenis.
Later leren ze enkele strategieën juist toe te passen in meerdere vakken. Pas veel later leren ze
verschillende strategieën uit meerdere domeinen in andere domeinen toe te passen.
Drie typen leerlingen
Niet-leerder: leer niet, presteert niet. Non-learning
Niet-begrijper: oppervlakkig leren, maar vaak wel redelijk op toets > kan alles zo opnoemen,
informatie wordt letterlijk onthouden, maar begrijpt het echter niet. Rote-learning
Begrijper: begrijpt goed en presteert meestal ook goed. Meaningful learning
2. Learning to read fluently
Leren lezen omvat leren hoe geschreven of gedrukte woorden in een andere vorm weer te geven.
Bij competente volwassen lezers duurt het lezen van een woord een fractie van een seconde:
Fixatieduur: 200-250 milliseconden
Fixatieruimte: 6-8 letters
Overspringduur: 15-30 milliseconden
Er zijn schijnbaar geen cognitieve processen nodig, maar in werkelijkheid zijn er veel cognitieve
processen betrokken bij lezen.
Eye tracking: oogbewegingregistratie, dit meer waar je kijkt en voor hoe lang. Dit wordt veel gebruikt
in leesonderzoek, maar ook bij website-design, surfgedrag., etc.
Een lineaire lezer die leest van links naar rechts en van boven naar beneden. Die is een lezer die niet
goed is in lezen. Normaal spring je qua oogbeweging steeds heen en weer.
Cognitieve processen betrokken bij het lezen:
1. Fonologische bewustzijn: herkennen klanken (fonemen) van onderdelen van woord.
2. Decoderen: omzetten van geschreven symbolen (letters) in klanken.
3. Decodeer vloeiendheid: snel hardop lezen met expressie en ritme.
4. Betekenis vinden: in lange termijn geheugen zoeken naar betekenis van woord.
1. Herkennen fonemen
Fonetisch bewustzijn is de kennis van geluidseenheden die gebruikt worden in de taal en de
vaardigheid deze geluidseenheden te horen en produceren. Dit heeft alleen betrekken op gesproken
woorden en klanken en niet op geschreven letters en woorden.
Enerzijds het opsplitsen van een woord in fonetische eenheden: Auto “Au” “T” “O”
Anderzijds het samenvoegen van fonetische eenheden: “L” “è” “s” Les
Herkennen van een lettergreep (morfeem) ontstaat eerder dan het herkennen van een foneem.
Fonetisch bewustzijn is een voorwaarde voor lezen. Bij een gebrekkig fonetisch bewustzijn zul je ook
slechter kunnen lezen.
1. Introduction to Learning and
Instruction
Theoretische perspectieven op het leren
1. Behavioristische benadering: responsversterking
2. Cognitieve benadering: kennis-acquisitie
3. Contextuele benadering: (sociaal)constructivisme, kennisconstructie
Cognitieve Theorie Geheugen
Het geheugen is wat we opslaan in ons hoofd en altijd met ons meedragen. Het geheugen is
bedrieglijk, omdat het wordt beïnvloedt oor het dagelijks leven. Onderwijs is niet puur alle feitjes
weten, maar onderscheid maken tussen wat je wel en niet weet.
Input sensorisch aandacht korte lange
geheugen termijn geheugen termijn geheugen
Stimulus komt aan in het sensorisch geheugen. Alleen als er aandacht aan wordt besteed, komt het
in het werkgeheugen. In het werkgeheugen wordt ermee aan de slag gegaan en eventueel naar het
lange termijn geheugen verplaatst.
Het werkgeheugen bestaat uit twee delen waarvan info binnenkomt:
Visuo-spatial scratch pad = visuele deel (beeld)
Phonological loop = fonologisch deel (geluid)
Drie processen
Selecteren: aandacht besteden aan relevante informatie. Het verplaatsen van het sensorisch
geheugen naar het werkgeheugen.
Organiseren: de geselecteerde informatie in zijn geheel proberen te begrijpen.
Integreren: combineren van informatie vanuit werk- en lange termijn geheugen.
,Drie delen werkgeheugen
Visuo-spatial scratchpad: waar vooral visuele informatie binnenkomt
Phonological loop: waar vooral auditieve informatie binnenkomt
Central executive: waar alle informatie gecombineerd wordt
Drie principes van leren
Twee kanalen: waarop info binnen kan komen, namelijk beeld en geluid
Beperkte capaciteit: je kunt maar een bepaalde hoeveelheid informatie aan
Actieve verwerking: je moet met de info aan de slag
Beeld en geluid moet informatie aan elkaar toevoegen, en moet niet precies hetzelfde zijn. Dus niet
dit is een rode cirkel en vervolgens dit ook laten zien.
Drie typen belasting
Intrinsieke: de te leren stof
Extrinsieke: de nadelige presentatie/organisatie/activiteiten > extra werkgeheugen belasting
> nadelig, niet relevant
Gunstige (germane): gunstige presentatie/organisatie/activiteiten > extra werkgeheugen
belasting > voordelig.
De drie typen belasting tellen bij elkaar op. Teveel belasting hindert het leren. Dus: minder extrinsiek
en zoveel germane als nog past. Intrinsieke + germane moet zo hoog mogelijk zijn, zonder dat het
werkgeheugen ‘ontploft’.
Iedereen zijn werkgeheugen is anders.
Fading: eerst veel voorbeelden en dan pas zelf door de leerlingen laten doen.
Cognitieve belasting onderzoek laat zien hoe theorieën komen en gaan. Half jaren negentig kwam
CLT(Communicative language teaching) sterk opzetten, met zeker in de 00-jaren een hoogtepunt.
Inmiddels is het onderzoek over zijn hoogtepunt heen en doen steeds minder onderzoekers er iets
mee.
Lange termijn geheugen
Impliciete kennis is onbewuste kennis: veelal geautomatiseerde vaardigheden.
Expliciete kennis is bewuste kennis:
Semantisch deel (weten wat iets is)
Episodische deel (dagboek; tijd, volgorde van dingen)
Door lang oefenen kan expliciete kennis langzaam impliciete kennis worden, bijvoorbeeld autorijden.
Typen kennis:
Declaratief (wat), bijvoorbeeld samenvatten
Procedureel (hoe), bijvoorbeeld hoe maak je een samenvatting
Conditioneel (wanneer), bijvoorbeeld wanneer is het slim een samenvatting te maken.
Voor veel taken zijn alle drie typen kennis nodig om deze zaken tot een goed einde te brengen.
Alle voorkennis zit in het lange termijn geheugen, maar niet automatisch in het werkgeheugen.
Onderzoek laat zien dat het activeren van voorkennis helpt bij het verwerken en onthouden van
nieuwe informatie. Dit laat zien dat verwerking in het werkgeheugen plaats vindt en dat dit beter
gaat wanneer voorkennis actief gebruikt wordt.
Omgeving waar je leert, heeft invloed op je als je de toets maakt. Dus het beste kun je leren op
dezelfde situatie als dat je later de toets moet gaan maken.
Oude visie op het lange termijn geheugen is de schema-theorie. De nieuwe visie op het lange termijn
geheugen is de netwerk-theorie, hier is ook biologisch bewijs voor.
, Drie soorten transfer
Transfer = je leert het in de ene situatie, maar je kun het dan ook toepassen in andere situaties.
Verschillende soorten:
Specifieke transfer (ook wel near-tranfer): een specifieke vaardigheid in enkele situaties
Generale transfer (ook wel far-transfer): meerdere vaardigheden in meerdere situaties
Gemixte transfer: specifieke transfer in meerdere situaties
Een voorbeeld is het toepassen van leerstrategieën. Veel leerlingen hebben specifieke transfer met
betrekking tot leerstrategieën: deze gebruiken ze bij begrijpend lezen, maar niet bij geschiedenis.
Later leren ze enkele strategieën juist toe te passen in meerdere vakken. Pas veel later leren ze
verschillende strategieën uit meerdere domeinen in andere domeinen toe te passen.
Drie typen leerlingen
Niet-leerder: leer niet, presteert niet. Non-learning
Niet-begrijper: oppervlakkig leren, maar vaak wel redelijk op toets > kan alles zo opnoemen,
informatie wordt letterlijk onthouden, maar begrijpt het echter niet. Rote-learning
Begrijper: begrijpt goed en presteert meestal ook goed. Meaningful learning
2. Learning to read fluently
Leren lezen omvat leren hoe geschreven of gedrukte woorden in een andere vorm weer te geven.
Bij competente volwassen lezers duurt het lezen van een woord een fractie van een seconde:
Fixatieduur: 200-250 milliseconden
Fixatieruimte: 6-8 letters
Overspringduur: 15-30 milliseconden
Er zijn schijnbaar geen cognitieve processen nodig, maar in werkelijkheid zijn er veel cognitieve
processen betrokken bij lezen.
Eye tracking: oogbewegingregistratie, dit meer waar je kijkt en voor hoe lang. Dit wordt veel gebruikt
in leesonderzoek, maar ook bij website-design, surfgedrag., etc.
Een lineaire lezer die leest van links naar rechts en van boven naar beneden. Die is een lezer die niet
goed is in lezen. Normaal spring je qua oogbeweging steeds heen en weer.
Cognitieve processen betrokken bij het lezen:
1. Fonologische bewustzijn: herkennen klanken (fonemen) van onderdelen van woord.
2. Decoderen: omzetten van geschreven symbolen (letters) in klanken.
3. Decodeer vloeiendheid: snel hardop lezen met expressie en ritme.
4. Betekenis vinden: in lange termijn geheugen zoeken naar betekenis van woord.
1. Herkennen fonemen
Fonetisch bewustzijn is de kennis van geluidseenheden die gebruikt worden in de taal en de
vaardigheid deze geluidseenheden te horen en produceren. Dit heeft alleen betrekken op gesproken
woorden en klanken en niet op geschreven letters en woorden.
Enerzijds het opsplitsen van een woord in fonetische eenheden: Auto “Au” “T” “O”
Anderzijds het samenvoegen van fonetische eenheden: “L” “è” “s” Les
Herkennen van een lettergreep (morfeem) ontstaat eerder dan het herkennen van een foneem.
Fonetisch bewustzijn is een voorwaarde voor lezen. Bij een gebrekkig fonetisch bewustzijn zul je ook
slechter kunnen lezen.