kenmerken.................................................................................................... 3
De bestuursrechter en bestuursrechtspraak...................................................................3
Vragen ter bespreking in de onderwijsgroep...........................................................3
Nabespreking.......................................................................................................... 4
Beginselen en kenmerken..........................................................................................4
Vraag ter bespreking in de onderwijsgroep:............................................................5
Nabespreking.......................................................................................................... 6
Casus: Groene daken.................................................................................................. 6
Nabespreking.......................................................................................................... 7
Bestuursrechtelijke rechtsgangen...................................................................................8
Opdrachten.............................................................................................................. 8
Week 2. Voorprocedures, beroep bij de bestuursrechter, trechters.................10
A. De bezwaarschriftprocedure.....................................................................................10
Vragen ter bespreking in de groep:.......................................................................10
Nabespreking........................................................................................................ 11
Eventuele toetsvraag............................................................................................. 11
Nabespreking........................................................................................................ 11
Casus: Terrasperikelen.......................................................................................... 12
Nabespreking........................................................................................................ 12
Casus: Onafhankelijk adviseren en verbeteren zonder herroepen?.......................13
Nabespreking........................................................................................................ 13
B. Termijnen en procesbelang......................................................................................13
Casus: Het zonnepark............................................................................................ 13
Nabespreking........................................................................................................ 14
Casus: De Calypso................................................................................................. 14
Nabespreking........................................................................................................ 15
C. Goede procesorde en trechters (zelfstudie)..............................................................15
Vragen (zelfstudie; deze onderwerpen worden ook behandeld tijdens het
hoorcollege! Tevens is er volgende week in de onderwijsgroep nog ruimte om op
dit onderwerp in te gaan):.....................................................................................15
Week 3. Omvang van het geding, aanvulling van rechtsgronden en ambtshalve
toetsing....................................................................................................... 18
Casus: Ligfiets en extra kosten auto......................................................................18
TENTAMENVRAAG.................................................................................................. 20
TENTAMENVRAAG.................................................................................................. 20
Week 4. Rechtsbescherming, feitenaanvulling en bewijs................................22
A. Rechtsbescherming, finale geschilbeslechting; feitenaanvulling..............................22
Casus: Supermarktenruzie.....................................................................................22
B. Feiten en bewijs........................................................................................................ 23
TENTAMENVRAGEN................................................................................................ 24
Week 5. Uitspraken en afdoeningsmodaliteiten.............................................27
A. Vernietiging en afdoeningsmodaliteiten; bestuurlijke lus.........................................28
Casus: Terrasje pikken….......................................................................................28
B. Bijkomende uitspraken en voorlopige rechtsbescherming........................................31
Casus: De vis wordt duur betaald….......................................................................31
Week 6. Schadeverzoek en aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke
rechter........................................................................................................ 34
1
, A. Schadeverzoek bij de bestuursrechter......................................................................34
Casus: De vis wordt duur betaald…(vervolg vorige week).....................................34
B. Aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter....................................35
Casus: Feestbootjes en meer.................................................................................35
2
,Week 1. De bestuursrechter en bestuursrechtspraak:
beginselen en kenmerken.
De bestuursrechter en bestuursrechtspraak
Vragen ter bespreking in de onderwijsgroep
1. De Nederlandse Grondwet heeft aandacht voor het bestuursrecht (zie bijv.
art. 107 lid 2
GW). Toch regelt zij maar weinig over bestuursrechtspraak en de
bestuursrechter. Hoe blijkt uit de Grondwet dat de wetgever
bestuursrechters kan instellen? Ga na welke bestuursrechters tot de
rechterlijke macht behoren en welke niet. En waarom is dat relevant?
Art. 107 lid 2 Gw bepaalt dat de wet algemene regels van het
bestuursrecht vaststelt.
In art. 112 lid 2 Gw is vastgelegd dat de berechting van geschillen die niet
uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, kunnen worden
opgedragen aan hetzij de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet
tot de rechterlijke macht behoren.
Uit art. 16 lid 1 Gw volgt dat de wet de gerechten aanwijst die tot de
rechterlijke macht behoren. (Lid 3: de wet kan bepalen dat aan
rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door
personen die daar niet toe behoren.)
Voor civiele en strafprocedures geldt dat de rechterlijke macht (elf
rechtbanken, vier gerechtshoven en de Hoge Raad) geschillen in beroep,
hoger beroep en cassatie behandelt.
Voor bestuursrechtelijke procedures geldt als hoofdregel dat tegen een
besluit beroep openstaat bij één van de elf rechtbanken (art. 8:6 lid 1
Awb).
Rechterlijke macht (art. 2 Wet RO):
Rechtbanken (sector bestuursrecht);
Gerechtshoven (hoger beroepsrechters in belastingzaken);
Hoge Raad (cassatie in belastingzaken)
Behoren niet tot de rechterlijke macht:
Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak (ABRvS);
Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ambtenarenzaken en
socialezekerheidszaken zoals werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en
bijstand);
College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) (‘economisch’
bestuursrecht, onder meer mededinging en telecommunicatie).
Het onderscheid is relevant met het ook op de het stelsel van de
rechtsbescherming.
De beginselen van rechtsbescherming:
1. Er moet gelegenheid zijn tot het instellen van beroep bij een
onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
3
, 2. Aan rechtspraak moet een bestuurlijke heroverweging voorafgaan.
3. Er moet rechtspraak in twee feitelijke instanties bestaan; De leer van
‘checks and balances’
a. Uitzonderingen op het punt van twee feitelijke instanties; het
economisch bestuursrecht en het omgevingsrecht, daar kennen
we voornamelijk rechtspraak in één instantie.
4. De rechtsbescherming moet toegankelijk zijn.
5. Zowel de rechtseenheid als de rechtsontwikkeling moet worden
gewaarborgd.
6. De rechtsbescherming moet effectief en tijdig zijn.
7. De rechtsbescherming moet efficiënt zijn.
De beginselen van het bestuursprocesrecht:
1. Onpartijdigheid;
2. Ongelijkheidscompensatie;
3. Hoor en wederhoor;
4. Openbare behandeling;
5. Openbare en gemotiveerde uitspraak;
6. Tijdigheid.
Nabespreking
Een leek kan als rechter worden benoemd binnen de bestuursrechtspraak.
Dit kan binnen de rechterlijke macht niet, maar is gezien de specialistische
zaken binnen het bestuursrecht vaak wel nodig.
2. Waarom is de kantonrechter van de rechtbank die oordeelt over een
verkeerboete een
bestuursrechter? Betrek in uw antwoord de definitie van ‘bestuursrechter’
van art. 1:4 Awb.
Onder bestuursrechter in de zin van art. 1:4 lid 1 Awb wordt verstaan: een
onafhankelijk bij de wet ingesteld orgaan dat met de bestuursrechtspraak
is belast. Lid 3 verkondigt verder dat: ‘Een tot de rechterlijke macht
behorend gerecht wordt als bestuursrechter aangemerkt voor zover
hoofdstuk 8 Awb of de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften (WAHV) – met uitzondering van hoofdstuk VIII – van
toepassing of van overeenkomstige toepassing is.’
Een verkeersboete valt onder de WAHV. De WAHV bepaalt dat beroep
tegen een beslissing van de OvJ wordt behandeld door de kantonrechter
van de rechtbank. De aard van de procedure is dus bestuursrechtelijk en
art. 1:4 lid 3 Awb bepaalt dat de kantonrechter in zulks geval als
bestuursrechter wordt aangemarkt.
Beginselen en kenmerken
Het bestuursprocesrecht heeft een aantal specifieke kenmerken. De
belangrijkste zijn:
• Het uitgangspunt van een actieve, niet lijdelijke rechter (die bijv. zelf
feiten onderzoekt)
• Het beginsel van ongelijkheidscompensatie
• Het verbod van ultra petita gaan en het verbod van reformatio in peius
• Het beginsel van rechterlijke toetsing ex tunc
• Korte termijnen
• Voorprocedures
4