GRONDSLAGEN
VAN HET RECHT
Huls, Romy
Prémaster 2025-2026
,Bijeenkomst 9 De eerste mens en het recht – De Wolf en de Wilde...................3
Thomas Hobbes (1588-1679).......................................................................................... 3
Montesquieu (1689-1755)............................................................................................... 3
Jean Jacques Rousseau (1712-1778)...............................................................................3
Rousseau’s kritiek op Hobbes......................................................................................3
De wilde mens in de natuurstaat.................................................................................3
Evolutie bij toenemende aantallen en vindingrijkheid.................................................4
De natuurstaat: ideaal of benijdenswaardig?..............................................................4
Have and have nots volgens Rousseau...................................................................4
Wat Rousseau bedoelt met 'Allen snelden naar hun ketenen denkend zo hun
vrijheid zeker te stellen.'.........................................................................................4
Idyllisch tussenstadium (Rousseau).............................................................................5
Bijeenkomst 9 De eerste mens en het recht – Het eerste recht.........................6
De Inuit........................................................................................................................... 6
Ongelijke samenleving................................................................................................ 7
Rechter binnen de samenleving..................................................................................7
Doel van straffen......................................................................................................... 7
Eigendom(srechten).................................................................................................... 7
Hoebel’s Inuït-beeld vs Rousseau’s idee over de natuurstaat en haar verdere
ontwikkeling tot een burgerlijke maatschappij op basis van een sociaal contract
(Idyllische tussenstadium)........................................................................................... 8
Bijeenkomst 10 Democratie en vertegenwoordiging.........................................9
Carl Schmitt (1888-1985)............................................................................................... 9
Schmitts bezwaar tegen het parlementarisme............................................................9
Substantiële gelijkheid................................................................................................ 9
Niet-liberale democratie in de huidige wereld.............................................................9
Claude Lefort (1924-2010)............................................................................................ 11
Vertegenwoordigende democratie is in de ogen van Lefort een nieuwe
samenlevingsvorm.................................................................................................... 11
Politiek toneel........................................................................................................ 11
Participatie............................................................................................................ 11
Andere vormen van politieke vertegenwoordiging................................................11
De grenzen van de democratie volgens Lefort..........................................................12
Bijeenkomst 11 Private eigendom.................................................................13
Algemeen.............................................................................................................. 13
Definitie van ‘politisering van de private sfeer’.....................................................13
John Locke (1632-1704)................................................................................................15
De natuurstaat volgens Locke...................................................................................15
Rechten van de mens in de natuurstaat................................................................15
Morele orde binnen de natuurstaat.......................................................................15
Eigendom.................................................................................................................. 15
Drie beperkingen aan toe-eigening.......................................................................15
De introductie van geld......................................................................................... 16
David Graeber & David Wengrow.................................................................................16
Bijeenkomst 12 Oorzaken van onze ecologische crisis....................................17
De manier waarop wetenschap, technologie en democratie een rol spelen ten
aanzien van de huidige ecologische crisis.................................................................17
Manieren waarop het Westerse Christendom verantwoordelijk kan worden geacht
voor de huidige ecologische crisis.............................................................................17
, Oplossingen die White aandraagt..............................................................................18
Moncrief........................................................................................................................ 18
Kritiek van Moncrief op White....................................................................................18
Hoofdoorzaak van de ecologische crisis volgens Moncrief........................................19
Moore............................................................................................................................ 20
De term ‘antropoceen’ en het antropoceen-argument..............................................20
De tekortkomingen van het antropoceen-argument..............................................20
De term ‘capitaloceen’ en het capitaloceen-argument..............................................20
Hoe het kapitalisme een aanslag op de natuur pleegt...........................................20
Bijeenkomst 13 Mensbeelden in het strafrecht..............................................22
Kant vs. Bentham......................................................................................................... 22
Inkleuring van het moderne mens- en wereldbeeld door moderne filosofen.............23
De Gouden Regel en haar gevolgen voor het premoderne Christelijke strafrecht in
het Westen................................................................................................................ 25
Oosterse religies (Hindoeïsme/Boeddhisme).............................................................25
Het huis van conflictoplossing (Claessen).................................................................25
Visies op slachtoffers en daders...................................................................................26
Verschuiving in de Kantiaanse wijze van kijken naar de verdachte naar een
Benthamiaanse......................................................................................................... 26
Cultuurhistorische analyse van het slachtoffer (Veraart)...........................................26
Herwaardering van de rechtspositie van de verdachte, de gedetineerde en de ex-
gedetineerde in het strafrecht...............................................................................27
Bijeenkomst 14 De rechtspraak en zijn bronnen vanuit historisch perspectief. 28
Great Litigation Decline............................................................................................. 28
Corpus Iuris Civillis.................................................................................................... 28
Voornaamste rechtsbron(nen) tijdens de vroege middeleeuwen in West-Europa......29
Universiteit van Bologna en gesten...........................................................................29
Ontstaan van de glossatoren (12e eeuw)...............................................................29
Ontstaan van de Commentatoren/Bartolisten/Mos Italicus (13e eeuw)..................29
Nieuwe methoden om het Romeins recht te bestuderen (humanisten).................30
Voornaamste rechtsbron(nen) tijdens de vroegmoderne tijd (1500-1800)................30
, Bijeenkomst 9 De eerste mens en het recht –
De Wolf en de Wilde
Thomas Hobbes (1588-1679)
Hobbes beschrijft de natuurstaat als een bellum omnium in
omnes waarin de mens in de eerste plaats een homini lupus is.
o Deze omgeving kent geen recht noch onrecht en het leven is
solitary, poor, nasty, brutish and short.
o Egoïsme, hebzucht en eigenbelang voeren de toon.
o De rede, die de mens in staat stelt de eerste natuurwet, i.e.
streven naar zelfbehoud, te kennen, biedt dé uitweg.
Montesquieu (1689-1755)
Jean Jacques Rousseau (1712-1778)
Volgens Rousseau is er geen institutioneel eigendom. Het moment
waarop iemand ‘eigendom’ claimt markeert volgens Rousseau het
begin van sociale ongelijkheid en morele corruptie.
Er is geen georganiseerde straf of rechterlijke instantie in de
natuurstaat. Handhaving gebeurt door natuurlijke impulsen.
Er is geen staat in politieke zin; geen soeverein gezag, geen wetten,
geen kunstmatige instituties. Wat later gemeenschappen of regels
vormen zijn volgens Rousseau historisch gegroeide institutionele
antwoorden op problemen die pas optreden nadat de mens
samenleeft en bezit groeit.
Rousseau’s kritiek op Hobbes
Hobbes vergelijkt de natuurstaat met een oorlog en veronderstelt
dat angst ene competitieve driften domineren.
o Volgens Rousseau zijn mensen van nature niet vijandig of
gewelddadig richting elkaar.
o Voor Rousseau ontstaan de hevige conflicten pas door sociale
en culturele ontwikkeling, niet als onmiddellijke kenmerken
van de natuurtoestand.
Hobbes ziet de staat als noodzakelijke remedie vanwege de natuur
van de mens.
o Rousseau ziet de staat juist als gevolg van sociale
vervreemding en ongelijkheid; dus niet als fundament van
menselijke samenleving.
De wilde mens in de natuurstaat
Levensomstandigheden: afzonderlijk in zeer kleine groepen. Hij
leeft van wat de natuur hem biedt zonder arbeidsdeling of
uitgebreide technieken.