Staatsrecht De organisatie van de Nederlandse staat en het Koninkrijk Hoofdstuk 3
3.1 Van statenbond tot gedecentraliseerde eenheidsstaat
3.1.1 Historische ontwikkeling
Eerste staatsvorm van Nederland, 1579, toen zeven zelfstandige provinciën zich door een
verdrag, de Unie van Utrecht, verbonden tot de Republiek der Zeven Vereenigde
Nederlanden. In de statenbond had elke provincie een eigen bestuur. Centraal gezag
ontbrak. Er was een algemene vergadering, de Staten-Generaal, bestaande uit
afgevaardigden van de provinciën die besluiten nam over gezamenlijke aangelegenheden.
Elke afgevaardigde bezat een mandaat of last (opdracht) van zijn provincie, waarin werd
bepaald hoe hij zich moest opstellen in de Staten-Generaal. De nieuwe staat werd in de
staatsregeling van 1798 vastgelegd als eenheidsstaat met een centraal gezag en
onzelfstandige departementen. Het hoogste gezag werd neergelegd bij de Nationale
Vergadering, die bestond uit door het volk gekozen afgevaardigden uit 126 kiesdistricten. In
1814 is het Koninkrijk der Nederlanden in de Grondwet vastgelegd. De Koning vormde
samen met de Staten-Generaal het wetgevend lichaam en een deel van de staatsmacht werd
bij de onzelfstandige provincies en gemeenten neergelegd.
3.1.2 De begrippen statenbond, bondsstaat en eenheidsstaat
De samenwerking tussen de zelfstandige staten Nederland, de voormalige Nederlandse
Antillen en Aruba is vrijwillig. De onderlinge afspraken zijn niet vastgelegd in een verdrag
maar in een staatsregeling of constitutie: het Statuut. De Nederlandse Koning is tevens het
staatshoofd van de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba.
Het verschil met een statenbond is dat de deelstaten in een bondsstaat hun zelfstandigheid
en daarmee ook hun staatmacht grotendeels afstaan aan een centraal gezag, de federale
regering. De verdeling van bevoegdheden tussen de deelstaten en het federaal gezag in een
bondsstaat wordt niet in een verdrag vastgelegd, maar in een grondwet.
Een federatie of bondsstaat is een staat met deelstaten. Een confederatie of statenbond is
een groep van geassocieerde, maar soevereine staten die bijvoorbeeld hun defensie of hun
munt gezamenlijk hebben geregeld.
Kenmerkend voor een eenheidsstaat is de concentratie van de staatsmacht bij een centraal
gezag, dat de eenheid bewaakt van de staat die uit onzelfstandige delen bestaat (Frankrijk,
verschillende departementen maken deel uit van de republiek en de macht is
geconcentreerd bij de Franse president en de centrale regering).
3.1.3 Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Nederland is vanaf het moment dat het Koninkrijk der Nederlanden werd vastgelegd in de
Grondwet, een gedecentraliseerde eenheidsstaat. In een dergelijke staatsvorm heeft de
centrale overheid een deel van haar regelgevende en bestuurlijke taken en bevoegdheden
overgedragen aan lagere overheden, zodat het staatsgezag deels op centraal en deels op
decentraal niveau ligt. Provincies, gemeenten en waterschappen vormen het openbaar
bestuur voor het decentrale grondgebied waarvoor zij zijn ingesteld (art. 123 & 133 Gw).
Daarnaast kan de wet openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare
lichamen instellen om op decentraal niveau overheidstaken uit te voeren (art. 134 Gw,
NOvA).
3.1 Van statenbond tot gedecentraliseerde eenheidsstaat
3.1.1 Historische ontwikkeling
Eerste staatsvorm van Nederland, 1579, toen zeven zelfstandige provinciën zich door een
verdrag, de Unie van Utrecht, verbonden tot de Republiek der Zeven Vereenigde
Nederlanden. In de statenbond had elke provincie een eigen bestuur. Centraal gezag
ontbrak. Er was een algemene vergadering, de Staten-Generaal, bestaande uit
afgevaardigden van de provinciën die besluiten nam over gezamenlijke aangelegenheden.
Elke afgevaardigde bezat een mandaat of last (opdracht) van zijn provincie, waarin werd
bepaald hoe hij zich moest opstellen in de Staten-Generaal. De nieuwe staat werd in de
staatsregeling van 1798 vastgelegd als eenheidsstaat met een centraal gezag en
onzelfstandige departementen. Het hoogste gezag werd neergelegd bij de Nationale
Vergadering, die bestond uit door het volk gekozen afgevaardigden uit 126 kiesdistricten. In
1814 is het Koninkrijk der Nederlanden in de Grondwet vastgelegd. De Koning vormde
samen met de Staten-Generaal het wetgevend lichaam en een deel van de staatsmacht werd
bij de onzelfstandige provincies en gemeenten neergelegd.
3.1.2 De begrippen statenbond, bondsstaat en eenheidsstaat
De samenwerking tussen de zelfstandige staten Nederland, de voormalige Nederlandse
Antillen en Aruba is vrijwillig. De onderlinge afspraken zijn niet vastgelegd in een verdrag
maar in een staatsregeling of constitutie: het Statuut. De Nederlandse Koning is tevens het
staatshoofd van de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba.
Het verschil met een statenbond is dat de deelstaten in een bondsstaat hun zelfstandigheid
en daarmee ook hun staatmacht grotendeels afstaan aan een centraal gezag, de federale
regering. De verdeling van bevoegdheden tussen de deelstaten en het federaal gezag in een
bondsstaat wordt niet in een verdrag vastgelegd, maar in een grondwet.
Een federatie of bondsstaat is een staat met deelstaten. Een confederatie of statenbond is
een groep van geassocieerde, maar soevereine staten die bijvoorbeeld hun defensie of hun
munt gezamenlijk hebben geregeld.
Kenmerkend voor een eenheidsstaat is de concentratie van de staatsmacht bij een centraal
gezag, dat de eenheid bewaakt van de staat die uit onzelfstandige delen bestaat (Frankrijk,
verschillende departementen maken deel uit van de republiek en de macht is
geconcentreerd bij de Franse president en de centrale regering).
3.1.3 Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Nederland is vanaf het moment dat het Koninkrijk der Nederlanden werd vastgelegd in de
Grondwet, een gedecentraliseerde eenheidsstaat. In een dergelijke staatsvorm heeft de
centrale overheid een deel van haar regelgevende en bestuurlijke taken en bevoegdheden
overgedragen aan lagere overheden, zodat het staatsgezag deels op centraal en deels op
decentraal niveau ligt. Provincies, gemeenten en waterschappen vormen het openbaar
bestuur voor het decentrale grondgebied waarvoor zij zijn ingesteld (art. 123 & 133 Gw).
Daarnaast kan de wet openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare
lichamen instellen om op decentraal niveau overheidstaken uit te voeren (art. 134 Gw,
NOvA).