Bij poëzieanalyse worden gedichten gestructureerd en analytisch gelezen,
met oog voor de structuurelementen van gedichten. Hierbij wordt gekeken
naar bijvoorbeeld metriek, rijm, stijlfiguren en beeldspraak. Je leert
een idioom, een begrippenapparaat, dat je als gereedschap kunt
gebruiken om gedichten te analyseren en ontleden. Op basis van die
analyse kom je tot een interpretatie en waardering van het gedicht.
Metriek: onderdeel dat kijkt naar het ritme en de versmaat van een
gedicht. Het gaat dus om hoe de klemtonen in de regels zijn verdeeld en
welk patroon daarin zit.
Je onderzoekt vooral:
- Beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
- Versvoeten (basisritmes)
- Versregels en metrum (het herhaalde patroon)
Functies van taalgebruik ( Roman Jakobson)
context/ inhoud/ betekende
(referentieel/ informatief)
zender boodschap/ betekenaar ontvanger
(expressief/ emotief) (poëtisch) (appelatief/ directief)
(poetisch)
contact/ communicatiekanaal
(fatisch)
code/ taal(gebruik/-regels)
(metalinguaal)
Toelichting model:
- Wanneer dichter bezig is met uitdrukken van eigen emotie, noem je
dat taalgebruik expressief.
- Wanneer iemand een opdracht geeft, wil je de ontvanger bewegen
om iets gedaan te krijgen. Dat taalgebruik is dan directief of
appelatief.
, - Taalgebruik kan ook gericht zijn op de inhoud: referentieel/
informatief.
- Fatisch taalgebruik: is het kanaal van communicatie wel open?
- Manier waarop we ons uitdrukken, kijken of we elkaar begrijpen:
metalinguaal taalgebruik.
- Poëtisch taalgebruik: probeert net iets anders te doen dan dat je
normaal gewend bent zodat het meer de aandacht vestigt op het
taalgebruik. Dit wordt gedaan door juist af te wijken of door
equivalentie (herhaling). Bijv. metrum (herhaling van beklemtoonde
en onbeklemtoonde lettergrepen) en rijm
Primaire en secundaire code/orde/systeem
Primaire: de ‘gewone/ normale’ ordening van de (natuurlijke taal)
taal
Secundaire/parasitaire:
- Juri Lotman: ‘de poëtische taal is een secundair modellerend
[=betekenisvoortbrengend] systeem
- Vormtaal: vorm brengt betekenis voort. Wanneer de betekenis en
vorm dezelfde betekenis hebben/ wanneer de betekenis van een
woord in de vorm tot uitdrukking komt is er sprake van iconiciteit.
Poëtische functie van taal
Foregrounding: het schenden van de normen van het ‘normale’
taalgebruik (primaire orde/ systeem) door de normen van poëtisch
taalgebruik (secundaire ordesysteem)
- Deviatie (afwijking). Voorbeeld: vandaag wil ik glimlachen, voor wie
geglimlacht licht wilt zien
- Equivalentie (herhaling). Voorbeeld: heerlijk helder Heineken
Niveaus van foregrounding:
1. Typografisch niveau: opvallend taalgebruik door middel van de
visuele vormgeving van een tekst. De aandacht van de lezer wordt
niet getrokken door wat er staat, maar door hoe het er uitziet op
papier of scherm.
2. Klankniveau (fonologisch/fonetisch): opvallend taalgebruik op
basis van klank. De aandacht van de lezer of luisteraar wordt
getrokken door hoe woorden klinken, niet door hun betekenis of
vormgeving.
3. Woord(vorming)niveau (lexicaal/morfologisch): opvallend
taalgebruik door de manier waarop woorden worden gevormd. De
tekst trekt aandacht doordat er afwijkende, creatieve of
ongebruikelijke woorden worden gebruikt, in plaats van
standaardwoorden.
, 4. Zinsniveau (syntactisch): opvallend taalgebruik door de vorm of
structuur van zinnen. Een zin valt op omdat hij afwijkt van de
normale zinsbouw.
5. Betekenisniveau (semantisch): opvallend taalgebruik door wat
woorden of zinnen betekenen, vooral wanneer die betekenis afwijkt
van het letterlijke, gewone gebruik.
6. Tekstniveau: opvallend taalgebruik door wat woorden of zinnen
betekenen, vooral wanneer die betekenis afwijkt van het letterlijke,
gewone gebruik.
Iconiciteit: wanneer de betekenis in de vorm tot uitdrukking komt
1. Symbolische tekens: berusten op sociale, cultuurgebonden
afspraak of conventie
2. Iconische tekens: berusten op zekere
gelijkenis/gemeenschappelijk kenmerk tussen teken en betekende
3. Indexicale tekens: berusten op continuïteit of contiguïteit (contigu
verband) zoals in metonymie
Contigu verband: dingen zijn aaneengesloten en sluiten direct op elkaar
aan, zonder onderbreking
Metonymie: stijlfiguur waarbij je iets benoemt met een woord dat er
nauw mee verbonden is, in plaats van het juiste woord zelf te gebruiken: je
benoemt dus niet wat je bedoelt, maar iets wat erbij hoort.
Concretisering: iets abstract wordt tastbaar gemaakt
Vitalisering/animalisering: iets levenloos wordt als levend voorgesteld.
Bijvoorbeeld: de hartslag van onze liefde
Personificatie: iets niet-menselijks wordt als menselijk voorgesteld
Symbool: mengvormen van letterlijk en figuurlijk (bijv. roos met
Valentijnsdag als symbool voor de liefde, die roos is bijvoorbeeld ook
letterlijk aanwezig) Symbool betekent dat het onderwerp ook letterlijk
aanwezig is)
Synesthesie: zintuigelijke waarnemingen worden met elkaar gemend
Samenvatting boek: basisboek literatuur (poëzieanalyse en
interpretatie)
Enige echte criterium voor poëzie is de vormgeving: hoe het gedicht in
het blad(wit) staat. Bij poëzie is er veel wit om (en soms ook in) het
gedicht
, Methode om poëzie te analyseren is om heel systematisch het gedicht
te onderzoeken op achtereenvolgens:
1. Formele kenmerken (o.a. typografie, strofebouw, metrum en rijm)
2. Opvallende syntactische verschijnselen (stijlfiguren)
3. De semantische (betekenis) laag (semantische stijlfiguren en
vormen van beeldspraak)
Semantische verschijnselen: kenmerken of patronen die te maken
hebben met de zinsbouw (syntaxis) van een taal. Het gaat dus niet om de
betekenis van woorden, maar om hoe de woorden in een zin
gecombineerd en geordend worden
Lyrische ik: in een gedicht komt vaak het woord ‘ik’ voor. De ik komt niet
automatisch overeen met de schrijver. Om verwarring te voorkomen
gebruiken we dan de term lyrische ik of algemener: lyrisch subject
Een gedicht bestaat uit een aantal regels. Deze worden ook wel verzen of
versregels genoemd. -> kwatrijn heeft vier regels. Niet te verwarren
met zinnen. Een zin is een syntactische eenheid die afgesloten wordt met
een punt, uitroepteken of vraagteken
Zinnen in een gedicht kunnen dus uit meerdere regels bestaan,
midden in een regel ophouden etc.
Soms kortere (en ook meerdere) zinnen op het eind om iets te
benadrukken of te concluderen
Polyinterpretabel: door het weglaten van interpunctie in een gedicht
wordt het lastiger om het gedicht te begrijpen: je weet niet hoe je het
moet lezen
Enjambement (oversprong): een (vers)regel wordt afgebroken op een
plaats waar geen natuurlijke pauze in de tekst is: je moet als lezer
doorlezen op de volgende regel. Functie: rijmverdoezeling, spanning
verwekken en/of betekenis (van bepaalde woorden) onderstrepen.
Bijvoorbeeld: de aardappel is zo Hollands: hij danst dom. De
aardappelmand in en veel later in de mond
! Embajementen kunnen zelfs over de witregel heen voorkomen!
Bijvoorbeeld:
Er valt niet tegenop te baren, waar zelfs het