Inhoudsopgave
Week 1
- Artikel 1: Witteman & Fenneman: Heuristieken en vertekeningen in het klinisch-
diagnostische proces
- Artikel 2: Witteman & Kwaadsteniet: Richtlijnen voor behandelaars
- Artikel 3: Tiemens, Wagenvoorde en Witteman: Waarom iedere psycholoog de regel van
Bayes moet kennen
- Artikel 4: Witteman, van der Heijden & Claes (2014). Hoofdstuk 1: Proces,
instrumenten, beoordeling en besluitvorming
- Artikel 5: Van der Heijden et al (2020). Transdiagnostische modellen voor diagnostiek
van psychische stoornissen
Week 2
- Artikel 1: Bos et al. (2023). Dagboekmetingen als hulpmiddel in de psychiatrische zorg:
beloften, valkuilen en mogelijkheden
- Artikel 2: Bartels et al. (2023). Feedback based on experience sampling data: Examples
of current approaches and considerations for future research
- Artikel 3: von Klipstein et al. (2023). Integrating personalized experience sampling in
psychotherapy: A case illustration of the Therap-i module
- Artikel 4: Kuyken et al. (2008). The Science and Practice of Case Conceptualization
- Artikel 5 : Padesky, (2020). Collaborative Case Conceptualization: Client Knows Best
- Artikel 6: Wichers et al. (2019). De netwerkbenadering bij depressie — Veel noten op de
zang of heilige graal?
Week 3
- Artikel 1: Rommelse & Slaats-Willemse (2020). Hoogbegaafdheid is niet te meten
- Artikel 2: De Zeeuw & Nelwan (2020). Intelligentieonderzoek komt van Venus en
neuropsychologisch onderzoek van Mars?
- Artikel 3: Boek McConaughy & Whitcomb (2022). Chapter 1: Clinical interviews in the
context of multimethod assessment
- Artikel 4: Begeer et al (2024). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan
kinderen en adolescenten. Hoofdstuk 1: De plaats van psychodiagnostiek binnen het
hulpverleningsproces
- Artikel 5: Tak et al. (2024). Hoofdstuk 2: Theoretische aspecten van de
psychodiagnostiek
- Artikel 6: Tak et al. (2024). Hoofdstuk 3: Praktische aspecten van psychodiagnostiek
- Artikel 7: Ceelen & Albrecht (2024). Hoofdstuk 16: Diagnostiek van het kind binnen het
gezin
Week 4
- Artikel 1: Hoofdstuk 2 Modellen; Richtlijn Basis Zorgprogramma Expertisecentrum
Forensische Psychiatrie (EFP)
- Artikel 2: Hoofdstuk 4, Diagnostiek; Richtlijn Basis Zorgprogramma Expertisecentrum
Forensische Psychiatrie (EFP)
- Artikel 3: Hoofdstuk 5, Risicotaxatie; Richtlijn Basis Zorgprogramma Expertisecentrum
Forensische Psychiatrie (EFP)
- Artikel 4: Brown, J., & Singh, J. P. (2014). Forensic risk assessment: A beginner’s guide.
Archives of Forensic Psychology
- Artikel 5: De Beuf, T. & van Koppen, P. (2024). Het testen van Thijs: een gevalsstudie
van forensisch psychologisch testgebruik
- Artikel 6: Niesten, I., & Fuermaier, A. (2023). Malignering: Simuleren in de DSM- een
recept voor misdiagnostiek?
Week 5
- Artikel 1: De Jong, (2022). Culturele uitingsvormen van psychische aandoeningen
- Artikel 2: Cultural Formulation Interview (kern-CFI)
- Artikel 3: Cultural Formulation Interview (CFI), Aanvullende modules
- Artikel 4: Kirmayer & Ryder, (2016). Culture and psychopathology
- Artikel 5: van de Vijver, F. J. (2016). Hoofdstuk 1: Interculturele psychodiagnostiek: zes
vuistregels. Uit: Borra, R., Dijk, R. van, & Verboom, R. (Eds.). (2016). Cultuur en
psychodiagnostiek: professioneel werken met psychodiagnostische instrumenten
, -Artikel 6: Boedjarath, I. (2016). Hoofdstuk 2: Cultuurbewust hulpverlenen: kennis,
houding en vaardigheden combineren. Uit: Borra, R., Dijk, R. van, & Verboom, R. (Eds.).
(2016). Cultuur en psychodiagnostiek: professioneel werken met psychodiagnostische
instrumenten
Week 6
- Artikel 1: Hoofdstuk 3 uit: Wieland et al, (2022). Herkennen van zwakbegaafdheid en
afstemmen van de communicatie. In: Behandeling van patiënten met een laag IQ in de
GGZ.
- Artikel 2: Hoofdstuk 4 uit: Wieland et al, (2022). Diagnostiek. In: Behandeling van
patiënten met een laag IQ in de GGZ.
- Artikel 3: Noens et al, (2017). Hoofdstuk 3: Diagnostiek van autismespectrumstoornis.
- Artikel 4: Spek et al, (2024). Gedegen diagnostiek naar autisme bij volwassenen (hoe
overdiagnostiek te voorkomen en voldoende oog te hebben voor andere hypotheses).
De Psycholoog.
- Artikel 5: Vandepoel & Walschaerts (2020). Deel uit hoofdstuk 5: Diagnostiek van ADHD
bij volwassenen.
Week 7
- Artikel 1: Skodol, (2021). Chapter 5: Manifestations, Assessment, Diagnosis, and
Differential Diagnosis.
- Artikel 2: Van Genderen, (2008). Hoofdstuk 7: Casusconceptualisatie in
schematherapie.
- Artikel 3: Eurelings-Bontekoe, & Snellen, W. (2018). Hoofdstuk 12: Dynamische
persoonlijkheidsdiagnostiek
- Artikel 4: Van Oppen et al, (2019). Het voorspellen van behandelresultaat.
- Artikel 5: Berghuis et al, (2024). Hoofdstuk 3: Multiconceptuele en multimethodische
benadering van persoonlijkheidsdiagnostiek
- Artikel 6: Ingenhoven, 2024). Hoofdstuk 5: Semigestructureerde interviews
- Artikel 7: van der Heijden & Berghuis, (2024). Hoofdstuk 6: Vragenlijsten
,Week 1
Artikel 1: Witteman & Fenneman: Heuristieken en vertekeningen in het klinisch-
diagnostische proces
In de klinische praktijk moeten psychologen voortdurend oordelen en beslissingen nemen
onder omstandigheden van tijdsdruk, beperkte middelen en onzekerheid over wat normaal is
en wat psychopathologie. Omdat een volledige, systematische analyse vaak niet haalbaar is,
maken clinici gebruik van heuristieken
- Heuristieken = op ervaring gebaseerde vuistregels of verkorte denkroutes. Dit
resulteert erin dat beslissingen een vertekening kunnen bevatten en oordelen niet
optimaal zijn
Het artikel is gebaseerd op de Dual Process Theory (DPT). Deze theorie onderscheidt 2
parallelle denksystemen:
- Associatieve/reflexieve systeem = snel, automatisch, onbewust en gebaseerd op
patroonherkenning en vuistregels/heuristieken. Het vervangt complexe vragen door
eenvoudigere, maar dit kan leiden tot voorspelbare en vaak onbewuste fouten
- Analystische/reflectieve systeem = langzaam, analytisch en bewust. Dit systeem
kan accurater zijn, maar is cognitief belastend, heeft een beperkte capaciteit en wordt
daarom slechts selectief ingezet.
Omdat systeem 2 ‘duur’ is in cognitieve termen, verlopen de meeste klinische oordelen via
systeem 1, waardoor vertekeningen moeilijk te vermijden zijn. Het Heuristics-and-Biases-
programma heeft aangetoond dat deze fouten structureel en vermijdbaar zijn
Positieve teststrategie = clinici zoeken bij het toetsen van een hypothese vooral naar
hypothesebevestigende informatie en minder naar tegenbewijs
- Dit is begrijpelijk, omdat het in de klinische praktijk onmogelijk is alle mogelijke
informatie te verzamelen. Als heuristiek is deze strategie efficiënt en leidt zij vaak tot
snelle besluitvorming
- De keerzijde is dat de positieve teststrategie kan leiden tot confirmation bias =
selectief zoeken naar en waarderen van informatie die de bestaande hypothese
ondersteunt, terwijl tegenstrijdige informatie wordt genegeerd of minder serieus
genomen. Hierdoor kan een initieel foutieve of onvolledige hypothese onterecht worden
vastgehouden.
Bijv: clinicus die bij een vermoeden van depressie wel een depressievragenlijst
afneemt, maar geen onderzoek doet naar alternatieve verklaringen zoals
psychotische symptomen
- Onderzoek naar het voorkomen van deze vertekening in de klinische praktijk laat
gemengde resultaten zien
Oudere studies vonden vaak geen duidelijke confirmation bias bij clinici, vooral
wanneer zij een gegeven hypothese moesten toetsen. Later onderzoek laat echter
zien dat de vertekening wel optreedt wanneer clinici zelf een hypothese formuleren.
Dan blijken vervolgvragen vaker bevestigend en minder falsificerend te zijn
Daarnaast tonen overzichtsstudies aan dat clinici:
Weinig geneigd zijn hun hypothesen actief te falsificeren;
Informatie die past bij de hypothese beter onthouden dan incongruente
informatie;
- Gvolg van positieve teststrategie is dat hypothesen een te hoge waarschijnlijkheid
krijgen toegeschreven. Dit leidt tot overconfidence = overschatting van de eigen
diagnostische zekerheid. Klassiek onderzoek laat zien dat extra informatie de zekerheid
van clinici vergroot, maar niet de accuratesse van hun oordeel, waardoor een
discrepantie ontstaat tussen vertrouwen en daadwerkelijke juistheid
- Ten slotte kan de positieve teststrategie ook de beoordeling van
behandelingseffectiviteit vertekenen. Verbeteringen worden dan ten onrechte
toegeschreven aan de behandeling zelf, terwijl ze bijvoorbeeld het gevolg zijn van
placebo-effecten, wat opnieuw leidt tot overmatig vertrouwen
, De positieve teststrategie is functioneel en onvermijdelijk, maar vergroot het risico op
confirmation bias, overconfidence en foutieve diagnostische en behandelbeslissingen, vooral
wanneer clinici hun eigen hypothesen formuleren en onvoldoende zoeken naar tegenbewijs.
Anchoring-and-adjustment heuristiek = neiging om bij oordeelsvorming te sterk vast te
houden aan een initiële waarde (anker) en deze bij nieuwe informatie onvoldoende bij te
stellen
- In de klinische praktijk kan zo’n anker bijvoorbeeld afkomstig zijn uit een verwijsbrief,
een eerste indruk of de manier waarop een casus wordt gepresenteerd. Nieuwe
informatie leidt wel tot aanpassing van het oordeel, maar deze aanpassing is vaak te
beperkt, waardoor het anker een onevenredig grote invloed houdt (ankereffect)
- Wanneer het anker gebaseerd is op betrouwbare en relevante informatie, kan dit leiden
tot valide oordelen. Het probleem ontstaat wanneer later verkregen, mogelijk
corrigerende informatie te weinig gewicht krijgt in het uiteindelijke oordeel
- Onderzoek naar het voorkomen van ankereffecten bij clinici laat zien dat deze
vertekening vooral optreedt tijdens de diagnostische integratie van informatie. Een
klassiek voorbeeld is het onderzoek van Friedlander en Stockman (1983), waaruit bleek
dat vroeg verkregen informatie meer invloed had op het eindoordeel dan informatie die
later beschikbaar kwam. Dit ankereffect trad echter alleen op bij patiënten met matig
ernstige symptomen. Bij ernstige problematiek werd geen ankereffect gevonden,
waarschijnlijk omdat zulke casussen minder ruimte laten voor alternatieve
interpretaties
Clinici passen hun oordelen vaak onvoldoende aan nieuwe informatie aan, waardoor vroege
indrukken een te grote rol spelen. Dit ankereffect is vooral zichtbaar bij ambigue, minder
ernstige casussen en kan de diagnostische accuratesse verminderen
Representativiteitsheuristiek = een complexe kansvraag (bijv. hoe waarschijnlijk het is
dat een cliënt een bepaalde stoornis heeft) wordt vervangen door een eenvoudigere vraag: in
hoeverre lijkt de cliënt (representatief is) op het prototype van die stoornis. Hierdoor kunnen
clinici op basis van enkele observaties via patroonherkenning snel tot een hypothese of
diagnose komen
- Deze heuristiek is vaak effectief, omdat de gelijkenis met een prototype doorgaans
sterk samenhangt met de werkelijke kans op een diagnose. De validiteit van het
oordeel hangt echter volledig af van de kwaliteit van het gebruikte prototype. Wanneer
dit prototype vooral gebaseerd is op persoonlijke klinische ervaring in plaats van op
formeel vastgestelde DSM-criteria, neemt de kans op fouten toe. Onderzoek laat zien
dat clinici de DSM-criteria regelmatig niet strikt toepassen en dat hun prototypen vaak
afwijken van deze criteria
- Het gebruik van de representativiteitsheuristiek kan leiden tot verschillende
vertekeningen:
Illusoire correlaties: het ten onrechte waarnemen van samenhang tussen
kenmerken en diagnoses (bijv. projectieve testkenmerken en psychopathologie)
Negeren van base rates: onvoldoende rekening houden met de prevalentie van
een stoornis. Zeldzame diagnoses kunnen te waarschijnlijk worden geacht als de
klachten sterk op het prototype lijken
Missen van atypische gevallen: cliënten die niet passen in het prototypische
beeld van een stoornis kunnen ondergediagnosticeerd of verkeerd gediagnosticeerd
worden
- Een correcte inschatting van diagnostische waarschijnlijkheid vereist in principe het
Bayesiaans combineren van observaties en prevalentiegegevens. Afgaan op
representativiteit alleen kan daarom leiden tot systematische diagnostische fouten.
De representativiteitsheuristiek maakt snelle en vaak correcte diagnostiek mogelijk, maar
vergroot het risico op foutieve oordelen wanneer prototypen onbetrouwbaar zijn, base rates
worden genegeerd of klachten atypisch gepresenteerd worden
Beschikbaarheidsheuristiek = oordelen worden gebaseerd op hoe gemakkelijk informatie
uit het geheugen kan worden opgehaald. Hoe sneller voorbeelden of ervaringen voor de geest
komen, hoe waarschijnlijker een gebeurtenis of diagnose wordt ingeschat
- Dit geldt zowel voor feitelijke herinneringen als voor mentaal gesimuleerde
gebeurtenissen (simulatieheuristiek), bijvoorbeeld bij voorspellingen of