Hoofdstuk 1 – ons spellingsysteem
Schriftsystemen:
- Pictografisch schriftsysteem: woorden weergeven door middel van tekeningen en
afbeeldingen (bijv. verkeersborden)
- Logografisch schriftsysteem: systeem waarbij elk plaatje staat voor één woord; het wordt op
een systematische manier weergegeven: de woorden en ook wel voorvoegsels en
achtervoegsels krijgen aparte symbolen (bijv. Chinees).
- Alfabetisch schriftsysteem: systeem waarbij taal wordt weergegeven door afzonderlijke
spraakklanken. Feniciërs ontdekten (1000 v. Chr.) dat je alle woorden kunt ontleden in een
beperkt aantal klanken. Binnen ons NL schriftsysteem hebben we niet voor alle
spraakklanken een apart teken, maar alleen voor spraakklanken die en verschil in betekenis
opleveren. fonemen. Wij geven geen spraakklanken maar fonemen weer in ons systeem.
Foneem is een spraakklank die betekenisverschil veroorzaakt. Voor elk foneem in het NL is er een
apart teken. We maken daarvoor gebruik van de letters van het Latijnse alfabet. Het NL kent 34
verschillende fonemen en het Latijnse alfabet heeft maar 26 verschillende letters.
Grafeem: is een letter of lettercombinatie die verwijst naar een foneem. De e, en de ee, zijn de
grafemen die de middelste klank van de woorden ben en been weergeven. De grafemen ui en oe
geven de middelste klank van de woorden kuil en poes aan. IN het NL kennen we 36
verschillende grafemen.
Hoofdregels van de NL spelling: (vastgelegd in Woordenlijst NL Taal (= het Groene Boekje).
- Fonologisch principe: elk foneem wordt door een apart grafeem weergegeven. Elk grafeem
staat voor één en hetzelfde foneem. Het grafeem aa verwijst altijd naar het foneem /aa/.
- Morfologisch principe: als we bij de spelling van een woord niet uitgaan van de klank, maar
van de vorm van woorden. Woorden zijn opgebouwd uit kleinere elementen die elk een
eigen betekenis hebben; zulke betekenisdragende elementen noemen we morfemen (onwijs
= twee morfemen). Twee regels: van gelijkvormigheid en van de overeenkomst.
De regel van gelijkvormigheid houdt in dat we een woord of voor- of achtervoegsel steeds op
dezelfde manier schrijven (kastje, gehoorzaam, hond).
De regel van overeenkomst houdt in dat ook de opbouw van een woord in de spelling
duidelijk wordt. Als woorden op dezelfde manier zijn gevormd, zo als grote, maar we
schrijven het met twee t’s om aan te geven dat dit op dezelfde manier is opgebouwd als
lengte. Hij vindt is met -t aan eind, want ook bij hij werkt. (lengte/breedte)
- Syllabisch principe: heeft betrekking op de spelling van syllaben in een woord. Een syllabe is
een klankgroep. Een morfeem heeft altijd betekenis, klankgroepen of syllaben niet, of ze
moeten al toevallig samenvallen met een morfeem. Een syllabe is wat anders dan een
lettergreep (= visuele verdeling). Van belang bij verenkeling- en verdubbelingsregel.
- Etymologisch principe: houdt in dat de herkomst bepalend is voor de schrijfwijze van een
woord of spraakklank. Hij/hei; leenwoorden
, Hoofdstuk 2 – het spellingproces
Functie van woordgeheugen bij het spellen
Eerst gingen we ervan uit dat de schrijfwijze van woorden visueel, woordbeeld, is opgeslagen. Uit
onderzoek bleek dat dit niet altijd klopte. Een theorie over de wijze waarop woorden in ons
geheugen zijn opgeslagen, is de versmeltingstheorie van Ehri. Van elk woord is bepaalde informatie
op een systematische manier vastgelegd in wat wel het mentale lexicon genoemd wordt. We weten
hoe een woord klinkt, hoe je het moet uitspreken, wat de betekenis is, hoe je het in een zin kunt
gebruiken, hoe het is opgebouwd en hoe je het moet schrijven. Ehri spreekt van identiteiten.
Fonologische identiteit:
- akoestische identiteit: hoe een woord klinkt
- articulatorische identiteit: hoe je het woord moet uitspreken;
- morfologische identiteit: hoe woorden zijn opgebouwd en hoe je met behulp van voorvoegsels
nieuwe woorden kunt vormen. (postkantoor)
- semantische identiteit: de betekenis van een woord; gevoelswaarde; homofonen (wij/wei)
- syntactische identiteit: gaat om de mogelijkheden van een woord met andere woorden
gecombineerd kan worden. (vooral bij werkwoordspelling: vindt ipv vint)
- orthografische identiteit: de spelling van een woord; het gaat om de specifieke combinatie van
letters waardoor een woord wordt weergegeven. Voordat het kind leert lezen/schrijven, heeft het
zich de eerste zes identiteiten van een woord al eigengemaakt (klinkt, spreekt, betekent, gebruikt).
Voorbeeld: onmiddellijk
- Fonologisch: uitspraak /omiduluk/ en spelling verschillen
- Morfologisch: woord bestaat uit drie delen (morfemen); achtervoegsel en voorvoegsel;
andere woorden met -on- en -lijk
- Semantisch: de letterlijke betekenis bespreken; synoniemen
- Syntactisch: woord in zin laten gebruiken
- Orthografisch: dubbel d en l; spellingregels, lettervolgorde, schrijfmotorisch
Spellingstrategieën
directe: het spellen gaat geautomatiseerd; spellen volgens schrijfmotorisch patroon
indirecte: toepassen van denkhandeling:
- fonologische strategie: woord opsplitsen in klank(groep)en
- elementaire spellinghandeling: woord analyseren in spraakklanken of fonemen /m/aa/n/
- klankclusterstrategie: woord wordt geanalyseerd in klankgroepen /ooi/uw/eer/eur/sch/nk
- woordbeeldstrategie: ou-klank en ij-klank
- regelstrategie: bij niet-klankzuivere woorden; ies=isch, verenkeling, verdubbeling, verlenging
- analogiestrategie: woord schrijven door het te vergelijken met een ander woord
- hulpstrategie: zelfbedachte geheugensteuntjes en regels; v/z aan eind kan niet; ei-web