,Inhoud
Inleiding.................................................................................................................. 3
Recht...................................................................................................................... 7
Politiek.................................................................................................................. 11
Religie................................................................................................................... 18
De economie........................................................................................................ 20
Sociale zekerheid.................................................................................................. 24
Zorg...................................................................................................................... 26
Onderwijs............................................................................................................. 36
Media.................................................................................................................... 38
Wonen.................................................................................................................. 40
, Inleiding
Hoofdstuk 1
De doelstelling van dit boek is om de belangrijkste maatschappelijke velden in
Nederland in een institutioneel perspectief te plaatsen. De volgende
beleidsvelden komen aanbod: recht, politiek, religie, economie, arbeid, sociale
zekerheid, onderwijs, gezondheidszorg, welzijn, wonen, gezin, milieu, kunst en
media.
De kernbegrippen waarmee in het boek gewerkt wordt zijn instituties en
organisaties.
Instituties: de formele en informele regels die ons gedrag in meerdere of
mindere mate reguleren oftewel de spelregels van de samenleving: die
enerzijds een inperking op onze individuele vrijheid vormen want ze geven
aan wat we wel en niet mogen en anderzijds een vrijmakende werking
hebben, want ze stellen ons instaat om met elkaar samen te leven.
Instituties kunnen onze perceptie van de wereld sturen en bijdragen aan
zingeving en moraliteit.
Organisaties: verbanden tussen mensen die een gemeenschappelijk doel
nastreven, bijvoorbeeld KPN of Philips.
Je hebt formele en informele instituties: formele instituties zijn gecodificeerd, dat
wil zeggen vastgelegd op papier (wetten, statuten en codes). Informele
instituties is er geen sprake van codificering. Er kunnen wel sancties volgen,
maar die zijn niet vastgelegd en worden ook niet tot een daartoe geautoriseerde
organisatie opgelegd (normen, routines en gebruiken).
Je hebt ook formele en informele organisaties: formele organisaties bestaan uit
rechtspersonen, dit kan publiekrechtelijke (rijksoverheid) of privaatrechtelijk zijn.
Privaatrechtelijk kun je weer onderverdelen in organisaties met (een besloten
vennootschap) en zonder winstoogmerk (een vereniging of stichting). Informele
organisaties zijn geen rechtspersoon en hebben een vluchtiger karakter.
De organisaties in dit boek hebben vaan meer dan alleen een
instrumentele rol en spelen een institutionele rol (bijvoorbeeld een
opvoedende taak).
Organisaties opereren in: de markt (waar goederen worden geruild tegen een
prijs), de overheid (waar goederen en diensten worden gefinancierd uit algemene
publieke middelen) of het maatschappelijk middenveld (waar vrijwillige inzet
dominant zijn)
Opvallend is dat veel organisaties verschoven zijn van middenveld, naar
overheid en uiteindelijk door naar de markt.
, Een beleidsveld is: is een thematisch samenhangend geheel van organisaties,
regels/afspraken en activiteiten rond een maatschappelijk vraagstuk waar de
overheid beleid voor maakt (ook wel: maatschappelijk veld, beleidsdomein)
nergens formeel afgebakend en voortdurend in beweging het wordt zichtbaar
in de begroting van de overheid en in ministeries.
Instituties en organisaties leveren een bijdrage aan de samenleving:
- Door het reguleren van gedrag
- Het coördineren van sociale interactie
- Het produceren van sociale cohesie
Institutionalisering: instituties ontstaan, bestaan, veranderen of verdwijnen
- Verschijnen: instituties verschijnen niet van de een op de andere dag en
zijn sociale feiten. Ze hebben hun zeggenschap vaak door historische
continuïteit. Het is een lang en geleidelijk proces. Soms speelt eigen
belang, bijvoorbeeld bij musea, ook een rol.
- Voortbestaan: efficiënt functioneren, geen beter alternatief maar dat is
niet altijd aannemelijk. Padafhankelijkheid speelt ook mee.
- Veranderen of verdwijnen: een crisis (schoksgewijs) binnen een veld is de
meest directe aanleiding voor verandering. Gestage verandering
(incrementeel) hierbij is het permanent in beweging of door nieuwe
problemen.
Padafhankelijkheid: wanneer er door een min of meer toevallige gebeurtenis of
proces in het verleden een dynamiek in gang wordt gezet waarvan vervolgens
moeilijk af te wijken is dit kan institutionele verandering in de weg staan. Deels
door omschakelkosten, maar ook omdat mensen zo gesocialiseerd worden.
Maatschappelijke veranderingen: in een groot deel van de beleidsvelden hebben
zich zes grote veranderingen voorgedaan: verstatelijking en verzuiling, de anti-
institutionele stemming in de jaren 60/70, marktwerking in de jaren 80/90,
individualisering, horizontalisering en internationalisering.
- Verzuiling en verstatelijking: veel organisaties waren vroeger verzuild. Toch
hadden we toen een sterk maatschappelijk middenveld. Middenveld en
overheid werkten vaak samen om beleid te maken, het middenveld voerde
het uit. De verstatelijking zorgde voor een professionalisering binnen
organisaties die op particulier initiatief waren begonnen. Het resultaat van
verzuiling en daarna verstatelijking is terug te zien in de sociale zekerheid.
Nederland valt lastig in te delen in Esping-Andersen zijn model, maar heeft
kenmerken van een sociaaldemocratisch en corporatisch model. Nederland
daarom ook wel als hybride gekarakteriseerd.
- Anti-institutionele stemming jaren 60/70: weinig waardering en respect
voor huidige organisaties, ontzuiling, behoefte aan individualiteit