Totaalsamenvatting
HC1 t/m HC6 + Practicum Insecten
Toegepaste Biologie · HAS Green Academy · Studiejaar 2025–2026
Tentamenvoorbereiding — 2e jaar HBO
Inhoud van dit document
HC1 — Inleiding en Resistentie
HC2 — Infectie- en Levenscyclus
HC3 — Quarantaine, Bacteriën en Virussen
HC4 — Insecten
HC5 — Aaltjes, Onkruiden en Bodemvruchtbaarheid
HC6 — Gewasbescherming
Practicum 1 — Sprinkhaan (in- en uitwendige bouw insect)
Oefenvragen — 10 tentamenvragen met antwoorden
,PLANTGEZONDHEID — TENTAMENSAMENVATTING
HC1 — Inleiding en Resistentie
Drie onderdelen: waarom plantenziektenkunde belangrijk is, welke veroorzakers plantenziekten geven, en hoe
planten resistentie opbouwen.
1. Waarom plantenziektenkunde?
• Opbrengstderving — kwantiteit en kwaliteit (prijs, export).
• Volksgezondheid — bijv. eikenprocessierups, moederkoren (Claviceps purpurea, LSD-achtige
stof), Fusarium (mycotoxinen).
• Diergezondheid — endofyten in gras (beschermen plant tegen insecten, giftig voor vee) en
Jacobskruiskruid (giftig gedroogd, leverschade).
• Landschap — kastanjebloedingsziekte, iepziekte, essentaksterfte (vals essenvlieskelkje).
2. Veroorzakers van plantenziekten
Abiotisch: nutriëntentekorten, ozonschade, herbicideschade, hagelschade.
Biotisch: plagen (insecten/mijten/konijnen), onkruid, ziekteverwekkers (schimmels, bacteriën, virussen).
Symptomen van abiotische en biotische schade kunnen erg op elkaar lijken (bv. ozonschade ≈ Alternaria-
symptomen).
Pathogenen vs. saprofyten
• Pathogenen: voeden zich met levende plantencellen, bezitten pathogeniteitsgenen.
• Saprofyten: voeden zich alleen met dood materiaal, geen pathogeniteitsgenen.
Biotroof vs. necrotroof
Biotroof Necrotroof
Doodt cellen, leeft van vrijgekomen
Voeding Uit levende cellen, via haustoria
stoffen
Voorbeelden Echte/valse meeldauw, roest Botrytis, Erwinia, Fusarium
Kweekbaar op voedingsbodem Nee (moeilijk) Ja
3. Plantenziektendriehoek & epidemiologie
Ziekte ontstaat alleen bij samenkomst van: vatbare gastheer + pathogeen + gunstige omgeving.
Ontbreekt één factor, dan geen ziekte.
Pagina 2
,PLANTGEZONDHEID — TENTAMENSAMENVATTING
Figuur 1.1 — De plantenziektendriehoek: alle drie de hoekpunten (vatbare gastheer, pathogeen, gunstige omgeving)
moeten aanwezig zijn voordat een plant daadwerkelijk ziek wordt.
• Vermeerdering: afhankelijk van gastheer/pathogeen/omgeving; bij gunstige omstandigheden
exponentiële groei tot boven de schadedrempel.
• Verspreiding: actief/passief — wind/water, vectoren (specifiek/aspecifiek), zaai-/plantgoed.
• Overblijven: bijv. als rustsporen in ongunstige periodes.
4. Resistentie
Resistentie = ziekteverwekker kan zich niet (goed) vermeerderen in de plant. Kan bestaan tegen
biotische (fungi, bacteriën, virussen, insecten, nematoden) en abiotische factoren (herbiciden,
zoute/arme bodem, koude/hitte).
Varianten per organisme: fysio's (schimmels), pathovar (bacteriën), biotypes (nematoden/insecten),
stam/strain (virussen). Voorbeeld: Bremia lactucae (valse meeldauw sla) — fysio Bl:41EU geïdentificeerd
in 2024.
Horizontale vs. verticale resistentie
Horizontale resistentie Verticale resistentie
Bereik Niet fysio-specifiek (alle varianten) Fysio-specifiek (slot-en-sleutel)
Mate Gedeeltelijk, nooit 100% Volledig (100% bij herkenning)
Pagina 3
, PLANTGEZONDHEID — TENTAMENSAMENVATTING
Horizontale resistentie Verticale resistentie
Genetica Polygeen Monogeen
Stabiliteit Stabiel in de tijd Instabiel, makkelijk doorbroken
Veredelaars richten zich vooral op verticale resistentie (volledige bescherming), al is dit minder
duurzaam dan horizontale resistentie.
Mechanismen horizontale resistentie: fysieke barrières (dikke celwand/waslaag, haren, doornen) en
biochemische eigenschappen (toxische uitscheiding, afwezigheid essentiële stoffen voor het pathogeen).
Gen-om-gen relatie (verticaal): R-gen (plant) herkent Avr-gen (pathogeen) via elicitoren →
hypersensitieve respons (lokale celdood rond infectieplek, beperkt verspreiding).
Resistent / vatbaar / gevoelig / tolerant
Resistent Vatbaar
Gevoelig Geen vermeerdering; wel schade Wel vermeerdering én schade
Tolerant Geen vermeerdering; weinig schade Wel vermeerdering; weinig schade
Tolerante planten verliezen minder opbrengst per eenheid infectie dan gevoelige planten.
Geïnduceerde resistentie: SAR vs. ISR
SAR (Systemic Acquired Resistance) ISR (Induced Systemic Resistance)
Route Salicylzuur Jasmonzuur (± ethyleen)
Werkzaam tegen Biotrofe pathogenen, floëem-insecten Necrotrofe pathogenen, herbivoren
Niet-pathogene bodemmicro-
Trigger Lokale HR → systemisch signaal organismen (bv. Trichoderma harzianum
/ Trianum)
Vluchtige stoffen (VOC's) waarschuwen ook andere bladeren/planten voor dreigende aantasting.
Lijfwachtstrategieën (indirecte verdediging)
• Schuilplaatsen: bv. holle stekels bullhorn acacia voor beschermende mieren.
• Voeding: extraflorale nectaria lokken mieren die plant beschermen.
• SOS-signalen: verwonding + insectenspeeksel → vluchtige stoffen trekken sluipwespen aan.
Pagina 4