Vraag 1: Welk essentieel inzicht is nodig om te verklaren waarom bepaalde
locaties vaker gepaard gaan met criminele activiteiten?
A) De genetische achtergrond van de daders
B) De patronen in de ruimtelijke en temporele dimensie
C) De gemiddelde strafmaat in een land
D) De psychologische gesteldheid van slachtoffers
Vraag 2: Welk specifiek percentage van de geografische gebieden is volgens
onderzoek vaak verantwoordelijk voor zestig procent van alle delicten?
A) Vijf procent
B) Tien procent
C) Vijfentwintig procent
D) Vijftig procent
Vraag 3: Met welke specifieke demografische gegevens combineerden Balbi en
Guerry strafrechtelijke statistieken om patronen te ontdekken?
A) Religie en gezinssamenstelling
B) Gezondheidscijfers en sterftecijfers
C) Armoede en onderwijs
D) Politieke voorkeur en beroepskeuze
Vraag 4: Wat was het primaire wetenschappelijke inzicht dat de eerste
criminaliteitskaarten boden door cijfers te koppelen aan volkstellingen?
A) Het IQ van de gemiddelde crimineel
B) De ecologische context van misdaad
C) De effectiviteit van de doodstraf
D) De snelheid van de politie
Vraag 5: Welk demografisch profiel van verdachten kwam sterk naar voren uit de
statistische analyses van Adolphe Quetelet?
A) Oudere, welgestelde vrouwen
B) Middelbare, geschoolde ambtenaren
C) Jonge, arme mannen
D) Buitenlandse handelaren
Vraag 6: Wat concludeerde Quetelet over de relatie tussen arme gebieden en
criminaliteitscijfers?
A) Arme gebieden hebben zonder uitzondering de hoogste criminaliteit
B) Arme gebieden hadden niet altijd de hoogste criminaliteitscijfers
C) Rijke gebieden kenden totaal geen misdaad
D) Er was geen enkel verband tussen locatie en misdaad
Vraag 7: Waarom vallen volgens de theorie van Quetelet de daderlocatie en de
delictlocatie vaak niet samen?
2
, A) Omdat daders vaak verdwalen tijdens hun vlucht
B) Omdat daders buiten hun eigen arme leefomgeving toeslaan op plekken met meer
gelegenheid
C) Omdat de politie daders dwingt om in andere wijken te opereren
D) Omdat daders liever in gebieden met veel sociale controle werken
Vraag 8: Wat was een belangrijke technische reden voor de afnemende interesse
in geografische criminologie in de late 19e eeuw?
A) Een verbod op het maken van landkaarten
B) Een tekort aan papier voor de rapportages
C) De ontdekking dat criminaliteit niet ruimtelijk bepaald is
D) Het ontbreken van computers om data zinvol te vergelijken
Vraag 9: Welk probleem met betrekking tot informatievoorziening hinderde de
ruimtelijke analyse in de late 19e eeuw?
A) De data over criminaliteit en bevolking was uiterst beperkt beschikbaar
B) Er was te veel data beschikbaar waardoor men het overzicht verloor
C) Daders weigerden mee te werken aan volkstellingen
D) De politie hield in die tijd geen enkele statistiek bij
Vraag 10: Welk voorbeeld illustreert het begrip 'place' (plek) zoals beschreven in
de brontekst?
A) Een heel postcodegebied
B) Een specifieke stad
C) Een exact adres of woonhuis
D) Een gehele provincie
Vraag 11: Waarom is het concept 'space' (omgeving) essentieel bij het analyseren
van criminaliteit op een specifieke plek?
A) Het dient enkel voor de administratie van de gemeente
B) De bredere omgeving bepaalt de factoren die criminaliteit mogelijk maken of
beperken
C) Het stelt de politie in staat om daders makkelijker te vervolgen
D) Het vervangt de noodzaak om naar individuele adressen te kijken
Vraag 12: Wat is een kenmerkend voorbeeld van een formele en bestuurlijke 'harde
grens'?
A) Het territorium van een jeugdbende
B) De mentale kaart van een bewoner
C) De indeling van officiële postcodegebieden
D) De looproute naar een supermarkt
Vraag 13: Welk voorbeeld wordt gegeven van een informele grens die gebaseerd is
op de praktijk?
A) De landsgrens tussen Nederland en België
B) De interne indeling van werkgebieden door de politie
C) De officiële gemeentegrens
3