Vraag 1: Wat wordt er binnen de klinische praktijk verstaan onder de
'genezinstheorie' van een cliënt?
A) De doelen die de cliënt met de behandeling wil bereiken.
B) Welke specifieke hulp de cliënt verwacht en op welke wijze deze geboden moet
worden.
C) De wijze waarop de cliënt zijn eigen klachten en de oorzaken daarvan ziet.
D) De emotionele reactie van de cliënt op een gestelde diagnose.
Vraag 2: Welk aspect van de beleving van de cliënt staat centraal in de
'gezondheidstheorie'?
A) De inschatting van de ernst van de huidige problematiek.
B) De voorkeur voor een specifieke therapeutische stroming.
C) De doelen en de toekomstige toestand van welzijn die de cliënt voor ogen heeft.
D) De bereidheid van de cliënt om mee te werken aan een diagnostisch onderzoek.
Vraag 3: Wat is het kenmerkende verschil van een 'gesloten aanvraag' ten opzichte
van een 'open aanvraag'?
A) De diagnosticus is bij een gesloten aanvraag volledig vrij om het proces zelf in te
vullen.
B) Een gesloten aanvraag bevat uitsluitend administratieve gegevens van de cliënt.
C) Bij een gesloten aanvraag heeft de verwijzer zelf al specifieke hypothesen
geformuleerd.
D) Een gesloten aanvraag verbiedt het contact tussen de diagnosticus en de verwijzer.
Vraag 4: Wat is de kernactiviteit van de diagnosticus tijdens de fase van de
'argumentatie'?
A) Het terugkoppelen van instrumentuitkomsten naar de hypothesen om deze te
verwerpen of te behouden.
B) Het vaststellen van de informatiebehoefte en het referentiekader van de verwijzer.
C) Het verzamelen van de eerste empirische waarnemingen over het probleemgedrag.
D) Het opstellen van een voorlopig diagnostisch scenario op basis van de intake.
Vraag 5: Welk specifiek recht heeft de cliënt met betrekking tot de verslaglegging
van het onderzoek?
A) Het recht om de volledige ruwe testscores van andere cliënten in te zien voor
vergelijking.
B) Het recht om de uitslagen van het onderzoek pas na de behandeling te horen.
C) Het recht om het verslag in te zien, aan te vullen of te verbeteren.
D) Het recht om de theoretische onderbouwing van de gebruikte tests te wijzigen.
Vraag 6: Welke specifieke kritiek wordt in de tekst genoemd op het gebruik van
diagnose-behandelcombinaties (dbc)?
A) Dbc's maken het onmogelijk om evidence-based behandelingen in te zetten.
B) Er is binnen een dbc te weinig tijd voor diepgaand onderzoek naar oorzaken bij
complexe problematiek.
2
, C) Dbc's leiden tot een overmatige focus op de belevingswereld van de individuele
cliënt.
D) Het systeem van dbc's belemmert de professionele communicatie tussen
diagnosten.
Vraag 7: Wat onderzoekt de diagnosticus wanneer deze gebruikmaakt van het
referentiekader 'ontwikkeling'?
A) De positie van het individu ten opzichte van een representatieve normgroep.
B) Gedrag in relatie tot de biologische en fysieke omgeving van de cliënt.
C) Gedrag vanuit de groei en veranderingen die iemand gedurende de levensloop
doormaakt.
D) De onderliggende stabiele eigenschappen die het gedrag van de persoon verklaren.
Vraag 8: Waarom wordt de biopsychologische benadering in de tekst omschreven
als een succesvol referentiekader?
A) Omdat het de nadruk legt op de historische wortels van gedragsproblemen.
B) Vanwege de effectiviteit bij het veranderen van gedrag, cognities en emoties via
interventies.
C) Omdat het de enige benadering is die geen gebruikmaakt van gestandaardiseerde
tests.
D) Vanwege de focus op de sociale leerprocessen binnen het gezinssysteem.
Vraag 9: Hoe wordt in de moderne testtheorie een niet-direct waarneembaar
kenmerk genoemd dat ten grondslag ligt aan testprestaties?
A) Een geobserveerde factor.
B) Een latente trek.
C) Een manifeste variabele.
D) Een correlationele index.
Vraag 10: Welk doel dient de statistische techniek van factoranalyse bij de
constructie van een instrument?
A) Het bepalen of een reeks items kan worden teruggebracht tot een kleiner aantal
onderliggende factoren.
B) Het berekenen van de gemiddelde score van de normgroep.
C) Het vaststellen van de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van een interview.
D) Het meten van de reactiviteit van een cliënt tijdens een observatie.
Vraag 11: Op welke twee aspecten beoordeelt de COTAN de 'kwaliteit van de
normen' van een psychologische test?
A) De theoretische herkomst van het construct en de meetpretentie.
B) De standaardisatie van de items en de efficiëntie van de instructies.
C) De overeenkomst met de doelgroep (representativiteit) en de actualiteit van de
gegevens.
D) De interne consistentie en de test-hertestbetrouwbaarheid.
Vraag 12: Wat is de definitie van 'begripsvaliditeit' bij de beoordeling van een
onderzoeksinstrument?
3