Vraag 1: Wat wordt in de context van taalverwerving specifiek verstaan onder de
term 'T2'?
A) De moedertaal van de leerder die als basis dient voor alle verdere talen.
B) Elke taal die na de moedertaal wordt geleerd, inclusief de omgangstaal van de
gemeenschap.
C) Een taal die uitsluitend in een formele schoolsetting wordt aangeboden.
D) De eerste taal die een kind simultaan met de moedertaal vanaf de geboorte leert.
Vraag 2: Wanneer spreekt men volgens de tekst van 'vreemde taalverwerving'?
A) Als de taal die geleerd wordt geen algemene omgangstaal is in de omgeving van de
leerder.
B) Wanneer de leerder na het vierde levensjaar start met het leren van de
gemeenschapstaal.
C) Als de leerder de taal op een ongestuurde manier in de praktijk oppikt.
D) Wanneer er sprake is van een parallelle ontwikkeling van twee talen vanaf de
geboorte.
Vraag 3: Wat is het centrale kenmerk van 'gestuurde taalverwerving'?
A) Het natuurlijk oppikken van de taal door interactie met de omgeving.
B) De parallelle ontwikkeling van de eerste en tweede taal bij jonge kinderen.
C) Bewuste instructie en een gestructureerd aanbod van leerstof door een docent.
D) Het uitsluitend gebruiken van de moedertaal als referentiekader voor de nieuwe taal.
Vraag 4: Welke rol vervullen 'native speakers' in het taalverwervingsproces van
anderen?
A) Zij fungeren als referentiekader voor vloeiendheid en correct taalgebruik.
B) Zij zijn verantwoordelijk voor het aanbieden van gestructureerde taalcursussen.
C) Zij vertalen complexe begrippen naar de moedertaal van de leerder.
D) Zij corrigeren uitsluitend expliciet alle fouten die een leerder maakt.
Vraag 5: Waarom werd 'imitatie' in vroege taaltheorieën gezien als de kern van het
leerproces?
A) Omdat het de leerder dwingt om abstracte grammaticale regels zelf te ontdekken.
B) Omdat het de basis vormt voor het aanleren van klanken en structuren door nadoen.
C) Omdat het zorgt voor een automatische transfer van kennis uit de moedertaal.
D) Omdat het de enige manier is om onregelmatige werkwoorden foutloos te leren.
Vraag 6: Wat houdt het mechanisme 'transfer' in bij tweedetaalverwerving?
A) Het volledig negeren van de moedertaal tijdens het leren van een nieuwe taal.
B) Het onbewust nadoen van moedertaalsprekers in een natuurlijke omgeving.
C) Het toepassen van kennis en regels uit de moedertaal op de nieuw te leren taal.
D) Het proces waarbij taalgebruik door herhaling een vast automatisme wordt.
Vraag 7: Wat is de essentie van 'gewoontevorming' in de historische visie op
taalleren?
2
, A) Het door oefening laten inslijten van taalkundige patronen tot een automatisme.
B) Het actief ontdekken van onderliggende taalregels door de leerder zelf.
C) Het vermijden van herhaling om creativiteit in taalgebruik te stimuleren.
D) Het uitsluitend focussen op de betekenis van een boodschap in plaats van de vorm.
Vraag 8: Hoe beïnvloedt 'reinforcement' (bekrachtiging) volgens de tekst het
leerproces?
A) Het dwingt de leerder om gaten in zijn kennis te ontdekken door actieve productie.
B) Het vermindert de motivatie doordat de leerder afhankelijk wordt van feedback.
C) Het stimuleert de leerder correcte vormen te onthouden door positieve feedback.
D) Het zorgt ervoor dat de moedertaal geen invloed meer heeft op de tweede taal.
Vraag 9: Waarom wordt de behavioristische visie van Skinner op taalverwerving
tegenwoordig bekritiseerd?
A) Omdat het de rol van herhaling en oefening volledig overschat.
B) Omdat de moedertaal volgens onderzoek geen enkele invloed heeft op de T2.
C) Omdat kinderen taal niet louter door imitatie verwerven en unieke fouten maken.
D) Omdat het principe van positieve feedback niet zou werken bij volwassenen.
Vraag 10: Wat is het primaire doel van de discipline 'contrastieve analyse'?
A) Het meten van de intelligentie van een taalleerder in relatie tot zijn vooruitgang.
B) Het vergelijken van structurele verschillen en overeenkomsten tussen twee talen.
C) Het stimuleren van sociale interactie tussen moedertaalsprekers en leerders.
D) Het beschrijven van de universele fasen die elke taalleerder doorloopt.
Vraag 11: Wat is een specifiek kenmerk van 'ontwikkelingsfouten' (intralinguale
fouten)?
A) Ze worden uitsluitend veroorzaakt door interferentie vanuit de moedertaal.
B) Ze zijn uniek voor elke individuele leerder en volgen geen enkel patroon.
C) Ze zijn karakteristiek voor alle leerders van een taal, ongeacht de moedertaal.
D) Ze verdwijnen onmiddellijk zodra een leerder begint met formeel onderwijs.
Vraag 12: Hoe verklaart de 'universele taalverwervingshypothese' het ontstaan van
fouten?
A) Fouten ontstaan door de specifieke, complexe eigenschappen van de doeltaal zelf.
B) Fouten zijn het resultaat van een gebrek aan motivatie bij de taalleerder.
C) Fouten worden veroorzaakt door een te lage frequentie van het taalaanbod.
D) Fouten ontstaan doordat de hersenen na de pubertijd geen taal meer kunnen
opslaan.
Vraag 13: Wat wordt binnen het taalverwervingsproces bedoeld met de 'natuurlijke
verwervingsvolgorde'?
A) De volgorde waarin een docent de grammatica van de doeltaal moet presenteren.
B) De vaste reeks van tussenstappen die leerders doorlopen tijdens de verwerving.
C) Het tempo waarin een leerder van een receptief naar een productief niveau gaat.
D) De rangschikking van woorden op basis van hun frequentie in de omgangstaal.
3