Vraag 1: Wat is het primaire doel van de geschillenbeslechtingsfunctie van het
recht?
A) Het reguleren van menselijk gedrag om chaos te voorkomen.
B) Het bieden van objectieve procedures om conflicten vreedzaam op te lossen.
C) Het beschermen van kwetsbare partijen tegen machtsmisbruik.
D) Het uitvoeren van specifiek overheidsbeleid.
Vraag 2: Op welke manier fungeert wetgeving binnen de instrumentele functie van
het recht?
A) Als een middel voor de overheid om maatschappelijke doelen te bereiken.
B) Als een waarborg voor de voorspelbaarheid van juridische uitspraken.
C) Als een instrument om gelijke gevallen gelijk te behandelen.
D) Als een ongeschreven regel die voortvloeit uit langdurige praktijk.
Vraag 3: Welk rechtsbeginsel schrijft voor dat gelijke gevallen op eenzelfde manier
behandeld moeten worden?
A) Rechtszekerheid
B) Rechtsgelijkheid
C) De instrumentele functie
D) De beschermingsfunctie
Vraag 4: Wanneer spreekt men juridisch gezien van 'gewoonterecht'?
A) Wanneer een regel door de Staten-Generaal is vastgelegd.
B) Wanneer de rechter een open norm invult in een concrete situatie.
C) Bij een langdurige praktijk en de overtuiging dat deze juridisch verplicht is.
D) Bij een schriftelijke overeenkomst tussen twee of meer staten.
Vraag 5: Welke rangorde geldt er binnen de Nederlandse hiërarchie van regels?
A) De Grondwet staat altijd boven internationale verdragen.
B) Lagere regelgeving moet wijken voor hogere normen.
C) Ministeriële regelingen hebben voorrang op formele wetten.
D) Alle rechtsbronnen zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Vraag 6: Wat typeert de relatie tussen overheid en burger binnen het publiekrecht?
A) Een horizontale relatie waarbij partijen gelijkwaardig zijn.
B) Een contractuele relatie gebaseerd op privaatrechtelijke afspraken.
C) Een verticale gezagsrelatie waarbij de overheid eenzijdige besluiten kan nemen.
D) Een relatie die uitsluitend wordt beheerst door ongeschreven gewoonterecht.
Vraag 7: Wat wordt er primair vastgelegd in het materieel recht?
A) De procedures voor het voeren van een rechtszaak.
B) De regels voor het leveren van bewijs in een proces.
C) De inhoud van rechten, plichten en verboden van personen.
D) De geografische bevoegdheid van verschillende rechtbanken.
2
, Vraag 8: Waarop is de relatieve competentie van een rechter gebaseerd?
A) Op de geografische locatie, zoals de woonplaats van de gedaagde.
B) Op de hoogte van de gevorderde geldsom.
C) Op de aard van het juridische geschil.
D) Op het onderscheid tussen privaatrecht en publiekrecht.
Vraag 9: Wat is het hoofddoel van mediation als alternatieve
geschillenbeslechting?
A) Dat een onafhankelijke deskundige een bindende uitspraak doet.
B) Dat partijen onder leiding van een bemiddelaar zelf tot een oplossing komen.
C) Dat de rechter een definitief oordeel velt over de zaak.
D) Dat de overheid de kosten van de juridische procedure volledig vergoedt.
Vraag 10: Welk rechtsgebied regelt de opsporing en vervolging van verdachten
van een strafbaar feit?
A) Bestuursprocesrecht
B) Burgerlijk procesrecht
C) Strafprocesrecht
D) Privaatrecht
Vraag 11: Wat wordt gewaarborgd door gesubsidieerde rechtsbijstand?
A) Dat de overheid alle juridische geschillen van burgers overneemt.
B) Dat de toegang tot het recht openstaat voor burgers met een lager inkomen.
C) Dat advocaten gratis moeten werken voor alle burgers.
D) Dat er geen griffierechten betaald hoeven te worden bij de rechtbank.
Vraag 12: Wanneer is er sprake van de rechtmatige verbintenis 'zaakwaarneming'?
A) Wanneer iemand ongevraagd en op redelijke grond het belang van een ander
behartigt.
B) Wanneer iemand een prestatie verricht zonder dat daar een rechtsgrond voor is.
C) Wanneer iemand een schadevergoeding moet betalen na een onrechtmatige daad.
D) Wanneer iemand door een overeenkomst verplicht is een prestatie te leveren.
Vraag 13: Wat houdt de verplichting bij ongerechtvaardigde verrijking in?
A) De verrijkte moet de volledige winst afstaan aan de staat.
B) De verrijkte moet de schade van de ander vergoeden tot het bedrag van de eigen
verrijking.
C) De verrijkte is verplicht om een nieuwe overeenkomst aan te gaan.
D) De verrijkte moet aantonen dat er een geldige wilsverklaring was.
Vraag 14: Op welk moment komt een overeenkomst volgens het
verbintenissenrecht tot stand?
A) Zodra de partijen beginnen met het uitvoeren van de werkzaamheden.
B) Zodra een aanbod door de wederpartij onvoorwaardelijk wordt aanvaard.
C) Zodra de schriftelijke tekst door een notaris is ondertekend.
D) Zodra de betaling door de schuldeiser is ontvangen.
3