Vraag 1: Welke specifieke bevoegdheid heeft de kinderrechter bij een
uithuisplaatsing naast het opleggen van de maatregel?
A) Het voeren van de dagelijkse regie over het hulptraject.
B) Het verlenen van machtigingen voor alternatieve verblijfplaatsen.
C) Het uitvoeren van de feitelijke begeleiding in de thuissituatie.
D) Het opstellen van het eerste veiligheidsplan bij een melding.
Vraag 2: Wat is de primaire rol van de Jeugdbescherming zodra een rechterlijke
maatregel is opgelegd?
A) Het adviseren van de rechtbank over de noodzakelijke juridische stappen.
B) Het uitvoeren van onderzoek naar de oorzaken van kindermishandeling.
C) De regie voeren en de juiste hulpverleners inschakelen voor de uitvoering.
D) Het fungeren als onafhankelijke vertrouwenspersoon voor de ouders.
Vraag 3: Wat is volgens de tekst het doel van een goede schriftelijke
verslaglegging door hulpverleners?
A) Het vermijden van persoonlijke gesprekken met het gezin over de problematiek.
B) Het verhogen van de werkdruk om de effici#5ntie van het team te testen.
C) Transparantie bieden en een navolgbare onderbouwing voor besluiten vastleggen.
D) Het vervangen van de noodzaak voor een mondelinge verklarende analyse.
Vraag 4: Welk aspect staat centraal bij de factor 'Verwachtingen (omgeving)' in het
Zeven-factoren model?
A) De persoonlijke talenten en sterke kanten van de jeugdige.
B) De mate waarin eisen van de omgeving aan de jeugdige realistisch zijn.
C) De externe situaties die extra spanning veroorzaken binnen het gezin.
D) De neurobiologische processen in de hersenen van het kind.
Vraag 5: Hoe definieert het Zeven-factoren model de factor 'Kwetsbaarheid
(jeugdige)'?
A) Het gebrek aan steunfiguren in het directe sociale netwerk.
B) De afwezigheid van een duidelijk behandelplan na diagnostiek.
C) Persoonlijke eigenschappen die de interactie met de omgeving bemoeilijken.
D) De specifieke klachten die de aanleiding vormden voor de hulpvraag.
Vraag 6: Wat wordt in de jeugdzorg verstaan onder 'iatrogene schade'?
A) Schade die ontstaat door het uitblijven van enige vorm van hulpverlening.
B) De financi#5le schade die gezinnen lijden door de kosten van de zorg.
C) Schade die onbedoeld wordt veroorzaakt door de interventie zelf.
D) De psychische schade die een kind oploopt door de oorspronkelijke thuissituatie.
Vraag 7: Welke criteria worden gehanteerd om de 'Opvoedingsvaardigheden' van
ouders te beoordelen?
2
, A) Het bieden van basale verzorging, veiligheid en emotionele warmte.
B) De bereidheid van ouders om deel te nemen aan intervisie.
C) De hoogte van het inkomen en de kwaliteit van de huisvesting.
D) De aanwezigheid van een advocaat of wijkagent in het netwerk.
Vraag 8: Welke specifieke valkuil bij teambesluitvorming kan leiden tot passiviteit
bij alle betrokkenen?
A) Het voeren van georganiseerde tegenspraak binnen de groep.
B) Het diffuus worden van de individuele verantwoordelijkheid.
C) Een te grote focus op wetenschappelijke evidence-based pijlers.
D) Het voortdurend aanpassen van het veiligheidsplan aan de actualiteit.
Vraag 9: Wat is de functie van 'georganiseerde tegenspraak' in een
multidisciplinair team?
A) Het bevorderen van de sociale wenselijkheid tijdens vergaderingen.
B) Het beperken van de invloed van externe factoren op de organisatie
(omgevingsfactoren).
C) Het versnellen van de besluitvorming bij acute crisissituaties.
D) Het voorkomen van blinde vlekken door bewust tegenargumenten te zoeken.
Vraag 10: Welk fundamenteel dilemma speelt een rol bij het besluitvormingsproces
rondom uithuisplaatsing?
A) Het risico op mishandeling thuis versus de negatieve impact van opgroeien buiten
huis.
B) De keuze tussen integrale gezinshulp of ambulante spoedhulp.
C) Het verschil tussen de 'eerstegraadsstrategie' en de 'derdegraadsstrategie'.
D) De afweging tussen professionele vakkennis en descriptieve bewijskracht.
Vraag 11: Welke voorbeelden worden genoemd als 'externe factoren' in de
decision making ecology?
A) De werkdruk en de organisatiecultuur binnen de instelling.
B) De ernst van de problematiek en de leeftijd van het kind.
C) Maatschappelijke druk, media-aandacht en actuele wetgeving.
D) De persoonlijke expertise en achtergrond van de hulpverlener.
Vraag 12: Hoe be#efnvloeden 'individuele factoren' volgens de decision making
ecology de professional?
A) Ze bepalen de hoogte van de beslissingsdrempel via organisatorische protocollen.
B) Ze kleuren de interpretatie van informatie door iemands persoonlijke achtergrond.
C) Ze leggen de focus op de maatschappelijke waardering van gedrag.
D) Ze beperken de inzet van specifieke practice elements in de uitvoering.
Vraag 13: Wat is volgens het General Assessment and Decision Model het verschil
tussen een 'oordeel' en een 'besluit'?
A) Een oordeel is een actie, een besluit is een schriftelijke vastlegging.
B) Een oordeel is een juridische maatregel, een besluit is een advies.
C) Een oordeel is de mentale inschatting, een besluit is de feitelijke keuze voor actie.
3