Vraag 1: Welke fundamentele bijdrage leverde de psychoanalytische theorie van
Freud aan het denken over vaderschap?
A) Het introduceerde de vader als de enige morele en religieuze leider.
B) Het legde de basis voor hoe de vader de psychoseksuele ontwikkeling beïnvloedt.
C) Het bewees dat de vaderrol geen invloed heeft op de persoonlijkheid van het kind.
D) Het focuste uitsluitend op de financiële investering van vaders in het gezin.
Vraag 2: Voor welke specifieke groep werd de aanwezigheid van de vader als
'rolmodel' na de Tweede Wereldoorlog cruciaal geacht?
A) Dochters, ter bevordering van hun huishoudelijke vaardigheden.
B) Zonen, voor hun algemene psychosociale ontwikkeling.
C) Zowel zonen als dochters voor hun religieuze opvoeding.
D) Vaders zelf, om hun competentie in de fabriek te vergroten.
Vraag 3: Wat is een kenmerkend aspect van de 'zorgende vader' die vanaf 1970 in
het maatschappelijk beeld verscheen?
A) Hij is even competent in het huishouden en de opvoeding als de moeder.
B) Hij voert zorgtaken alleen uit om de partner te ontlasten.
C) Zijn betrokkenheid is uitsluitend gericht op disciplinering.
D) Zijn rol is beperkt tot het zijn van een psychologisch voorbeeld.
Vraag 4: Wat meet de dimensie 'warmth responsiveness' in het herziene model van
Pleck (2010)?
A) De mate waarin de vader fysiek aanwezig is in dezelfde ruimte.
B) De emotionele beschikbaarheid en de waardering die de vader toont.
C) De financiële bijdrage van de vader aan de opvoeding.
D) De mate van toezicht op de sociale ontwikkeling van het kind.
Vraag 5: Wat is het hoofddoel van 'positive engagement activities' volgens de
domeinen van Pleck?
A) Het verminderen van de werkdruk voor de moeder.
B) Het versterken van de band door deelname aan de belevingswereld van het kind.
C) Het aanleren van gewenst gedrag via strikte conditionering.
D) Het coördineren van medische afspraken en opvang.
Vraag 6: Welke activiteit valt onder de categorie 'indirect care' binnen het model
van vaderbetrokkenheid?
A) Het financieel onderhouden van het gezin.
B) Samen met het kind spelen in het park.
C) Het direct reageren op een huilende baby.
D) Het troosten van het kind na een val.
Vraag 7: Wat houdt 'process responsibility' in met betrekking tot de organisatie
van de zorg?
2
, A) De fysieke aanwezigheid van de vader bij alle maaltijden.
B) Het managen en plannen van behoeften zoals medische zorg en onderwijs.
C) De directe interactie tijdens het uitvoeren van verzorgingstaken.
D) Het stimuleren van exploratief gedrag bij het kind.
Vraag 8: Hoeveel betaald geboorteverlof hebben partners in Nederland sinds 2019
direct na de bevalling?
A) Twee werkdagen.
B) Eén werkweek.
C) Drie weken.
D) Vijf weken.
Vraag 9: Welke groep vaders maakt volgens onderzoek naar aanvullend
geboorteverlof minder vaak gebruik van deze regeling?
A) Hoger opgeleide vaders en vaders met veel arbeidsuren.
B) Vaders met een laag opleidingsniveau en weinig werkuren.
C) Vaders die werkzaam zijn in de zorgsector.
D) Jonge vaders onder de 25 jaar.
Vraag 10: Welke specifieke strategie adviseren Yogman et al. (2022) aan
professionals om het welzijn van vaders te ondersteunen?
A) Vaders uitsluitend als covariaat behandelen in medisch onderzoek.
B) Vaders screenen op prenatale depressie.
C) Vaders adviseren om minder uren te gaan werken.
D) Vaders stimuleren om de zorg volledig aan de moeder over te laten.
Vraag 11: Wat is het biologische doel van de aangeboren neiging tot gehechtheid
bij een kind?
A) Het aanleren van sociale hiërarchieën binnen het gezin.
B) Het verkrijgen van troost en fysieke bescherming bij angst of stress.
C) Het minimaliseren van de tijd die de verzorger aan het kind besteedt.
D) Het versnellen van de motorische ontwikkeling door imitatie.
Vraag 12: Wanneer is hechtingsgedrag, zoals het uitstrekken van de armen, bij een
kind het meest zichtbaar?
A) Bij ziekte, stress of de aanwezigheid van een onbekende.
B) Tijdens rustige periodes van solitair spel.
C) Wanneer het kind volledig geconcentreerd is op exploratie.
D) Alleen wanneer de moeder niet in de buurt is.
Vraag 13: Hoe kenmerkt de reactie van een kind met een veilige gehechtheid (type
B) zich bij hereniging met de ouder?
A) Het kind negeert de ouder en gaat direct verder met spelen.
B) Het kind laat zich makkelijk troosten en vertoont positieve interactie.
C) Het kind vertoont verstarring en angst- of schrikreacties.
D) Het kind is ontroostbaar en wijst de ouder boos af.
3